03. Zand, heel veel zand (18-12-2010)

Inderdaad, het werden een paar nachtjes meer in Lincoln National Park. We deden er diverse wandelingen, zaten weer eens in de stoelen in de zon en genoten er van het wildlife. 's Morgens vroeg en tegen de avond de kangoeroes, overdag de families emoe, de ene met vier, de andere met acht jongen. Verder een goanna (net zo een als op de zijkant van Oka196) en uiteraard af en toe een blue tongue lizard.

Dan gaan we naar Boston Heights Estate, een uitbreidingsplan ten zuiden van Port Lincoln waar onze vrienden Chris en Ross Kassebaum wonen. Sterker nog, het is hun plan, hun estate. In Ontmoeting 15 was het nog een 22 hectare grote hobbyboerderij, gekocht van een gouden handdruk. Dat was in 2003. Na een lange worsteling met de gemeente, provincie en een dwarsliggende buurman hebben ze hun boerderij kunnen opsplitsen in 22 lifestyle blokken van verschillend formaat. En ondanks de crisis hebben ze ze ongeveer allemaal verkocht. Van de opbrengst bouwden zelf ze hun nieuwe huis op het hoogte punt met een million dollar view op de Spencer Gulf. We beleven een paar gezellige dagen met Chris en haar 85-jarige moeder, still going strong maar erg vergeetachtig, waar ze zichzelf nog het meest aan ergert. Ross heeft bezigheden (ver) buitenshuis en hem zien we dit keer niet.

De buren van Chris en Ross zijn nog in het stadium van 'eerst de schuur dan komt het huis later wel', een heel gebruikelijke methode op de grotere bouwblokken. Er wordt dan eerst een hele grote schuur gebouwd die bewoonbaar gemaakt wordt. Paar slaapkamers, douchecel en keukentje en klaar. Daar wordt dan soms jaren in gewoond terwijl wordt afgewacht of het 'oude' huis wordt verkocht of er wordt simpelweg verder gespaard voor het te bouwen nieuwe huis.

Tussendoor doe ik nog een aardig verhaal op over een ploeg Nederlandse bergers van Svitzer (vroeger Wijsmuller) uit IJmuiden die in de haven van Port Lincoln een gezonken vissersschip bergen. Ik maak een praatje met de mannen (Zie Ontmoeting 32).


Boston Heights Estate © Willem de Niet
Boston Heights Estate © Willem de Niet
Boston Heights Estate © Willem de Niet
Red Banks Beach © Willem de Niet
Red Banks Beach © Willem de Niet
Red Banks Beach © Ageeth de Niet


Intussen blijft het koel en veranderlijk weer. Na de stoel onder de boom in Lincoln National Park blijft het weer zoeken naar beschutte plekjes langs de oostkust van Eyere Peninsula. Die zijn moeilijk te vinden. In Red Banks Beach gaat dat nog, in Point Lowly absoluut niet.
Aanvankelijk lijkt het ons mooi om op een havenhoofd, met het mooiste uitzicht op de baai en de dolfijnen te gaan staan. Maar als 's avonds de wind niet gaat liggen maar aanwakkert gaat eerst het hefdak omlaag. Tegen elf uur staan we te schudden als in de cake walk op de kermis. En, met Ageeth in bed, rijd ik de wagen in het donker naar een ander plekje, wat meer beschut.
Van vissen komt het door al het ontij ook al niet terwijl ik aan hetzelfde haventje 'vroeger' een paar keer met een lekker maaltje thuis kwam. Trouwens, het plekje is het plekje niet meer. Ooit stonden we er samen met Ross en Chris Kassebaum en Eric en Frances Woods (Ontmoeting 19), een andere keer met Jerry en Marina Goijers (Ontmoeting 16) en nu staan er veertien! bloody caravans and campervans. Het lijkt wel een caravanpark. Wat er ook gebeurt, het was de laatste keer anders vervagen de herinneringen aan 'die goede oude tijd' te veel.

We komen weer in Port Augusta. Halen melk, brood en brandstof en gaan een poosje weg van de kust. We overnachten in absolute stilte in de luwte van de Community Hall in Willowie, horen niets of niemand bij het Pandappa Conservation Park. Dat laatste ligt op de Dare Hill scenic drive, een kleine honderd kilometer outback road waarop we geen auto zien, wel veel kangoeroes, emoes, een slang en nog zo wat. En om de haverklap een ruÔne van wat eens een trotse homestead was. In de tijd toen boeren nog dachten te kunnen overleven in dit ruige landschap. Rondlopend in en om de resten van deze ooit zo trotse gebouwen krijg je steeds meer respect voor de pioniers. Want toen de gebouwen steen voor steen werden gebouwd liepen de good gravel roads waar wij nu over rijden er niet. De bouwmaterialen moesten met paard en wagen over enorme afstanden worden aangevoerd, er moesten kilometers hekken in stenige bodem worden gezet voordat het eerste vee kon worden aangevoerd en gedacht kon worden aan het verdienen van wat geld. Het is ook niet voor niets dat op de kerkhofjes in de outback heel veel jonge kinderen begraven liggen. Voordat een dokter gewaarschuwd was, gingen er dagen voorbij, laat staan voordat de dokter er was. Nu grappen we wel eens tegen elkaar: 'Kijk, een leuk opknappertje'. Maar bedenken vervolgens dat we er niet zouden willen, beter gezegd kunnen, wonen. Te ver weg van alles. Leuk voor een week (of wat), maar langer niet.

In Hansborough zien we een paar dagen later, op zoek naar een rustig plekje voor de nacht, een prachtig vervallen huis bovenop een heuvel met rondom uitzicht. Er loopt een voor Oka196 begaanbaar spoor naartoe. Er staat ook nog een hek omheen waarvan de poort open staat. Maar het blijft een hek en een gouden regel is, dat als er een hek omheen staan en hoe wijd de poort ook open staat en hoe alles er ook op wijst dat er al tijden niemand meer is geweest: toestemming vragen. Gelukkig is er een boerderij vlakbij. Nee, de mensen zijn niet de eigenaar, dat zijn de buren, tien kilometer verderop. Maar ze willen wel even bellen. De vrouw des huizes loopt naar binnen en komt met een positief bericht terug. 't Is goed, zo lang we maar geen kampvuur stoken. Dat waren we toch al niet van plan.
Als we ons na het beklimmen van de heuvel net geÔnstalleerd hebben komt van de andere kant de boerin-eigenares aan rijden. Ze maakt een gezellig praatje, wenst ons een rustige nacht en vraagt nog eens vriendelijk of we vooral geen vuur willen maken.


Dare Hill © Willem de Niet
Hansborough © Willem de Niet
Orroroo © Willem de Niet
Orroroo © Willem de Niet
Burra © Willem de Niet
Burra Creek Gorge © Willem de Niet


Het weekend erna brengen we door bij Joan en Colin Miller in Allendale North. Ooit stonden we zes weken naast hun knusse cottage toen Ageeth haar operatie in Gawler onderging. (Zie reisverhaal 19) De tuin, waar ik in die tijd menig uurtje zwetend heb doorgebracht met het spitten van kubieke meter grote plantgaten voor rozen, het aanleggen van een rotonde van gravel en het samen met Colin bouwen van een carport is na zes jaar bijna onherkenbaar. Alles is gegroeid en gegroeid, vooral het laatste jaar toen de regen eindelijk weer eens met bakken uit de lucht viel.

Net voordat we bij Joan en Colin arriveren, doen we een hele vervelende ontdekking. Ik kan mijn portemonnee nergens vinden. We hebben het zo geregeld dat Ageeth onderweg de kas beheert en ik als het ooit zo uitkomt mijn knip trek. Dat heb ik voor het laatst een week eerder gedaan toen ik in de bibliotheek in Port Augusta een afgeschreven boek kocht. Ik was ook nog even bij het National Parks kantoor, reconstrueren we. Beide gebeld, niets gevonden. Omdat ze hier in AustraliŽ bij betalingen met de Visa-card altijd vragen: pin or signature en ik nou niet de ingewikkeldste handtekening heb, doemen visioenen op van een geplunderde Visa-rekening. We kunnen opgelucht ademhalen als we op het net zien dat er niets is afgeschreven. Uiteraard blokkeren we de kaart.

Na met Joan en Colin te hebben afgesproken dat we ze de volgende keer in Wilsum treffen duiken we Adelaide een dagje in. De voor onze trip vernieuwde vering van Oka196 moet even worden gecheckt en we bezoeken Bob en Sharon Legierski van Evolution Crash Repairs waar DJ werd gerepareerd na 'De klap in Hamelton' in voorjaar 2002. Bob en Sharon hebben de zaak verkocht en gaan eindelijk AustraliŽ verkennen. Bob kijkt geÔnteresseerd rond in Oka196 want hij gaat zelf ook 'iets dergelijks' maar dan in caravan uitvoering bouwen. Ageeth bezoekt in Adelaide ook 'haar' kapster. Ze was er eerder een paar keer, het klikte tussen de dames en dus maakte ze weer een afspraak. Dikke pret samen, daar in de ťťnvrouws-salon in de Adelaide Hills.


Orroroo © Willem de Niet
St. Kilda © Willem de Niet
Boston Heights Estate © Willem de Niet
Adelaide © Ageeth de Niet
Langhorne Creek © Willem de Niet
Coorong National Park © Willem de Niet


Intussen is het weer na een paar redelijke dagen, weer omgeslagen. Met bakken komt het uit de lucht. Overal borden met de waarschuwing water on the road maar het ergste is kennelijk al geweest al moeten we nog wel door een aantal flinke plassen. De wijnbouwers ten zuid-oosten van Adelaide zijn al net zo weinig blij met de regen als de graanboeren op het Eyre Peninsula. Hier dreigt de meeldauw.

Na een nacht op een natte rest area in Langhorne Creek waar het de hele nacht hard waait en idem regent, zien we een dag later hoe het ook gekund had. Bomen en struiken ontworteld, een enkele boom gedeeltelijk over de weg. De pontbazin in Narrung (Zie Ontmoeting 31) weet te vertellen dat er in korte tijd 95 millimeter viel. Maar het is weer droog en zonnig dus we strijken een paar uur neer aan de rivier en hangen de badhanddoeken eens flink te luchten na de vochtige nacht en ook de 'hoed' laten we flink doorwaaien.
Dan duiken we het Coorong National Park in en maken de eerste tussenstop bij Long Point. Samen met hele rustige backpackers hebben we een hele stille nacht. Een poging om een maaltje vis te vangen mislukt. De hele zeebodem is bedekt met een dikke laag waterplanten. We maken een wandeling en rijden door naar 42 Mile Crossing in hetzelfde park. Weer veel ruimte en rust.

En de crossing. Dat is een soort klimduin voor auto's om op het strand te komen. We lopen het eerst maar eens. Mul zand, sporen van Nissan Patrols, Toyota Landcruisers en als we er lopen passeert en een huurcamper met vierwielaandrijving. Weegt natuurlijk nog niet de helft van onze 6500 kilo. Ik zeg tegen Ageeth dat we het de volgende ochtend ook maar eens moeten proberen. Ze staat niet te trappelen. Zelf vind ik het ook spannend. Spannender dan ik wil toegeven. Het zal je gebeuren, halverwege, de wielen graven zich in, vast als een huis, wachten op redding. Het is ook een duin in etappes, omhoog, omlaag, weer omhoog en omlaag naar het strand. Als we de eerste helling niet halen, is er altijd nog de achteruit. Maar in het volgende dal gaat dat niet meer op. En of een Landcruiser of Patrol ons er uittrekt, ik waag het te betwijfelen. Dan toch maar wachten op een strand dat makkelijker te bereiken is? Maar hier zijn in elk geval mensen, want de crossing wordt elk uur wel een keer gebruikt door hoofdzakelijk vissers. Die op het strand overigens uit het zicht verdwijnen, op weg naar hun favoriete stek.

Ik verlaag 's middags alvast de bandendruk heel fors. Het loopvlak wordt steeds breder. 's Avonds denk ik er over om ze de volgende ochtend maar weer op te pompen. Maar 's ochtends vroeg hak ik de knoop door: we doen het. Als we de eerste helling heel makkelijk op komen, gaan we naar het strand, zo niet dan gaan we achteruit terug.
Dan gaan we, wielnaven in de juiste stand, lage versnelling ingeschakeld, eerste versnelling, tweede versnelling, omhoog, omhoog, omhoog. Met zo'n 1500 toeren. Omhoog en omlaag, 1500 toeren. We weten dat er los zand onder de wielen zit maar Oka196 trekt zich er helemaal niets van aan. We draaien op het strand en gaan net zo makkelijk weer terug. Nou snappen we de AustraliŽrs die zeggen: "you can go anywhere in that vehicle", met dat voertuig kun je overal heen. Gelijk hebben ze. Als de compressor zijn werk gedaan heeft gaan we op de juiste spanning weer op pad.
Omdat het aanvankelijk, ondanks de inzet van alle spierkracht en zelfs een hamer, niet lukt om de lage versnelling uit te schakelen is onze maximum snelheid 40 kilometer. In het nationale park is dat geen probleem maar op de highway wordt zo'n kruipende wegversperring of, zoals ze hier zeggen, a crawling roadblock vast niet op prijs gesteld. Bij de uitgang van het park lukt het echter wel en kunnen we in de normale overbrenging de weg op. Later zal Peter mailen dat honderd meter achteruit rijden ook een goede remedie is. Die onthouden we voor een volgende keer.


Coorong National Park © Willem de Niet
Coorong National Park © Willem de Niet
Coorong National Park © Willem de Niet
Canunda National Park © Willem de Niet
Canunda National Park © Willem de Niet
Canunda National Park © Willem de Niet


Die volgende keer komt een paar dagen later in Canunda National park. We moeten weer beschutting zoeken tegen de wind. Die vinden we enigszins maar de wind is zo sterk dat we het dak omlaag laten en in de 'lage slaapkamer' slapen. Met het dak omhoog is Oka196 een kleine vijf meter hoog en de struiken rondom ons zijn een heel stuk lager.
De volgende dag rijden we naar Carpenter Rocks. In de folder van het National park staat dat in een vierwiel aangedreven voertuig het park van noord naar zuid doorkruist kan worden. En omdat ik denk dat een spoor door een park nooit zo zwaar kan zijn als de 42 Mile Crossing, besluiten we de kortste weg te nemen.

Op het eerste bordje dat we tegenkomen staat: 'Carpenter Rocks 36 Km'. Ha, eindelijk een rit van formaat, denk ik. Het begint allemaal simpel. Geen asfalt maar een pad met een harde bovenlaag vlak onder het zand. Het heet hier niet voor niets de Limestone Coast. We rijden redelijk vlot door, 35, 40 kilometer. Dan wordt het wat zanderiger. Onder het motto 'het zal zo'n vaart niet lopen', laat ik toch wat lucht uit de banden. Niet te veel, dat scheelt straks bij het oppompen. Dan duikt een serieus duin op. Flink gas geven dan maar. Bijna boven zeggen de achterwielen 'tot hier en niet verder' en graven een flink gat. De achteruit brengt redding, we zakken af tot onderaan, sturen net naast het vorige spoor en daar gaan we weer. Precies even ver, net niet ver genoeg dus. Ageeth krijgt het even een beetje benauwd. Daar sta je dan in woestijnduinen. Ik stel haar gerust. 'No worries, even wat meer lucht kwijt'. Ik stap weer in en we 'vliegen' over de duinrug. Voortaan toch de banden gelijk wat platter en dus breder maken.

Verder gaan we door het onafzienbare landschap van zand en soms een paar rotsen. Geen honderd meter is het spoor recht vanwege alle duinen en duintjes. Die duinen zorgen er samen met de wind van de afgelopen dagen voor dat het spoor flink is volgestoven. Aan de kant van de duinen uiteraard meer dan aan de lage kant. En dus ligt in elke bocht om een hobbel heen het spoor flink schuin. En Oka196 is erg hoog. Dus als de linker- of rechterwielen een stuk hoger rijden dan die aan de andere kant, voelt het op twee meter boven het zand (hoofdhoogte) aan alsof ons schip van de woestijn hele zware slagzij maakt. Maar alle vier de wielen blijven contact maken met de mulle bodem en graven zich niet in dus we rijden gewoon door.
Totdat er een punt komt waar het spoor bijna onder 45 graden ligt. Nou ja, veel minder, maar overdrijven maakt de zaak duidelijk. Ik stuur ietsje, een bandbreedte ten opzichte van een nog vaag zichtbaar spoor van een voorganger, naar rechts. Dat is genoeg, wat heet, te veel. Het rechter voorwiel glijdt uit het spoor dat net daar een stuk hoger ligt dan het omliggende terrein. Het is net droog mul drijfzand. Het is voorbij voordat we er erg in hebben. Ik denk dat 'neeeee' het enige is wat we zeggen. Gedachten gaan sneller. We gaan zo schuin dat ik wel zeker weet dat we omslaan. En dan? We hebben nog niemand gezien. Peter heeft gezegd dat we als we zouden omslaan, Oka196 weer op de wielen kunnen krijgen door onze lier aan een boom te bevestigen. Maar waar bevestig je een lier in struik- en boomloze duinen? Echt, dat alles ging er door mijn hoofd in die, wat zal het zijn geweest, een hele seconde? Ik denk het niet eens. Dan stopt het en staan we gewoon een stukje lager op vier wielen. Ik stap uit, loop om de wagen heen. Alles in orde. En waar we zijn terecht gekomen is een vlak stuk niet ver onder het spoor. Dat moet kunnen. En kan. We draaien de neus naar het spoor, nemen het kleine hellinkje en vervolgen in het spoor onze weg. Er komen nog wat enge schuine bochten maar we weten inmiddels hoe schuin Oka196 kan. Heel erg schuin.
Kort voor Carpenter Rocks zit nog een hele nijdige klim. Een kapotgereden helling, de langste en steilste tot nu toe met diepere sporen dan eerder. De angst dat we in het zicht van de haven alsnog stranden en 35 kilometer terug moeten, blijkt onterecht. Lage overbrenging, eerste versnelling, het gas er op en we kruipen omhoog en erover. Wat een beest van een auto. Wat een lessen geleerd.

Even later zijn we er. Bij Neelie Kuiper in Pelican Point. (Zie Ontmoeting 22) We blijven er twee nachten. De was wordt weggewerkt, Oka196 krijgt nieuw vet in de ruim twintig smeernippels en als we vertrekken krijgen we, net als vorige keer, een mooie rode kreeft mee. We hebben gesmuld.

We krijgen door dat de sneeuw in Nederland weer (even?) weg is. Maar voordat het zo ver was heeft vriendin Anneke foto's gemaild van onze tuin en een paar mooie plekjes in Wilsum in de sneeuw. Mooi natuurlijk, we hadden het graag zelf gezien, maar dan toch liever een koude nacht en overdag de korte, soms halflange, broek. Tenslotte, Sandra heeft de eervolle vermelding verdiend voor haar visie op de foto van de rotsen in het vorige reisverhaal. Ere wie ere toekomt.
Tot de volgende aflevering, de eerste in 2011.