7. Don't hurry, be happy (15-05-2002)

Onder dat, soms opgedrongen, motto vervolgen we onze reis door AustraliŽ. Soms omdat we ons niet willen haasten, soms omdat we buiten onze wil en schuld niet kunnen opschieten als we dat nou net toevallig eens een keertje wel willen. Zoals toen we Adelaide verlieten waar een deel van de rechterflank van onze Dutch Jumbo was vernieuwd nadat we eind maart in de zij waren geramd. Het enige wat nog ontbrak was een nieuwe achterband. Daar zou de man van de verzekering voor zorgen. Zei hij op 9 april. Nou ja, ons een zorg, dachten we toen nog, al deed het vreemd aan dat de schade-expert gaat winkelen voor een band.

Op 19 april konden we de huurauto naar Budget terugbrengen en ons rijdende huis weer betrekken. Er was alleen ťťn dingetje, de nieuwe band was er nog niet. Nou was de schade aan de band vrij oppervlakkig, dus we konden rijden. De band zou nagestuurd worden naar Port Augusta, aldus de man van Bridgestone die kennelijk ook Michelin leverde. Met een dag of drie zou hij er zijn. ,,And, no worries mate.''
Omdat Port Augusta redelijk in ons schema paste, maakten we ons dus ook geen worries. In Port Augusta aangekomen maar eens gebeld. Nee, de band was nog niet in Adelaide, laat staan dat hij doorgestuurd was naar Port Augusta. Maar met een dag of wat moest hij er wel zijn. Wat we in de tussentijd moesten doen? Een paar rondjes om Port Augusta rijden. ,,And, no worries mate.'Port Augusta 's a nice town.'
We zijn dus een flink rondje om Port Augusta gereden. Mooi plekje aan zee gevonden, paar dagen gestaan, wat gevist, wat gewandeld, stukje doorgereden, wat gewandeld, wat gevist, wat gewinkeld, naar de kapper. En af en toe de man van Bridgestone/Michelin gebeld. Ja, de band moest nu elk moment binnenkomen. Misschien morgen. ,,And, no worries mate. The weather is fine, isn't it?''
Nou, om dit lange verhaal kort af te sluiten, op 2 mei konden we vanuit Port Augusta koers zetten naar het noorden, naar het rode hart, naar de outback.

En dat is weer een heel ander deel van AustraliŽ. Eigenlijk het AustraliŽ zoals we het kennen van de foto's, de reisgidsen en de verhalen. Van de strakblauwe luchten boven de rode aarde en witte zoutmeren. Van eindeloos verre vergezichten. Stugge struiken, bloeiend gras. Af en toe een bergrug(getje). Van dorpen met tien of twintig inwoners die honderd, tweehonderd, driehonderd kilometer uit elkaar liggen, net zo ver als de tankstations langs de highway. Van borden langs de weg met daarop: Fully licensed hotel, 400 kilometer. En bordjes bij zijwegen die melden dat de eerste homestead (boerderij) aan die weg op 148 kilometer afstand ligt. En borden dat rekening gehouden moet worden met grazend vee op de highway. Om de zo veel kilometer een wildrooster. In diezelfde highway.

Tegen de avond zorgt de gemiddelde toerist dat hij van de weg af is. Want dan gaan de kangoeroes op stap. Grazen en drinken. Veel halen de overkant niet. Slachtoffers van de roadtrains, de vrachtwagencombinaties net zo lang als drie Nederlandse combinaties. Tot bijna 55 meter denderen ze voort. Ruim zes Dutch Jumbo's achter elkaar. Dag en nacht. Niks tachtig kilometer per uur, niks begrenzer. Rij je 90, komen ze grommend voorbij blazen. Rij je 100, halen ze je vlot in en maak je echt tempo, 110, kruipen ze voorbij. Opzij, opzij, opzij. En opzij wil je wel, vooral voor tegenliggende roadtrains. Want als zij opzij gaan en de ruim dertig linker wielen door de berm sleuren, vliegen de stenen om je spiegels.

Inmiddels hebben we een aantal 'must see's' gezien. Tourist traps, zoals ze hier zeggen. Coober Pedy, de opaalhoofdstad van de wereld. Wat een stoffige bende. Kilometers en kilometers in het vierkant niets anders dan puntbergen van uitgezeefde grond. Van de duizenden kleine zelfstandigen uit alle windstreken en uithoeken van de aarde die gaten graven, op zoek naar de opalen.
En Uluru hebben we gezien, beter bekend al Ayers Rock. Nee, we zijn niet boven geweest. Te veel bordjes met het verzoek om de heilige grond van de aboriginals niet te betreden. Dat de rode rots niet al lang afgesloten is, komt doordat dan de Japanners niet meer zouden komen. En Japanners komen er ook hier heel veel. Ze moeten klimmen. En letterlijk op handen en voeten en op de kont weer de rots af. Ayers Rock viel ons tegen. Kata Tjuta (de Olga's) vonden we veel mooier. Ook daar zagen we tegen een decor van bosbrandrook de zon ondergaan. De brand woedt er al dagen en dagen. Op dertig kilometer afstand en met een front van dertig tot vijftig kilometer vlammen. Er wordt niets aan gedaan want er wonen geen mensen en er is geen water. Als de wind draait dooft het vuur vanzelf. En blijft een vele duizenden hectares zwartgeblakerde vlakte over. Niemand die er om maalt, want het is goed voor de grond.

De zonsondergang bij Ayers Rock is elke dag weer een spektakel. We waren er vroeg bij, op het speciale zonsondergangparkeerterrein voor autobussen. De regulateur die alle niet-bussen wegstuurde liet ons ongemoeid. ,,No worries mate, you're classified as a bus.'' Om zes uur zou de zon ondergaan. Om vijf uur werd het ineens druk. Met trucks van de catering. Tafels, stoelen, champagne, barbecues. Om half zes begon de invasie van touringcars, grote en kleine. Met Duitsers, Fransen, Engelsen, Italianen, AustraliŽrs en veel Japanners. Vanaf ons eigen dakterras hadden we het mooiste uitzicht van allemaal. Met een jaloerse Duitser raakten we even aan de praat. Wat bleek, ze deden AustraliŽ in acht dagen. Jawel, acht hele dagen. Sydney, Cairns, Darwin, Alice Springs, Ayers Rock, Sydney en naar de Heimat terug. 't Zijn net Japanners, ze lopen alleen niet zo hard. En dan voelen wij ons soms nog opgejaagd omdat we op 8 juli een vliegtuig moeten halen in Darwin. En we in de tussentijd nog zo veel op ons lijstje hebben. Nou ja, als we geen bandenpech krijgen, redden we het.


Kolentrein Port Augusta © Willem de Niet Coober Pedy © Willem de Niet Kings Canyon © Willem de Niet Kings Canyon Garden of Eden © Willem de Niet The Olga's © Willem de Niet De zonsondergang bij Ayers Rock © Willem de Niet