08. En altijd weer komt OKA196 op zijn pootjes terecht (15-02-2011)

Zondag 6 februari kan wel eens de meest merkwaardige dag van onze reis in OKA196 worden. Een dag die heel rustig begon en eindigde maar daartussen bij tijd en wijle huiveringwekkend was. Hierbij een samenvatting. Nou ja, samenvatting, meer een ooggetuigeverslag.
Na een paar mooie dagen in Barrington Tops National Park, aan de oever van en in de Manning River breken we die zondagochtend op. Op weg naar een plekje verderop, zonder vaste bestemming. We rijden Barrington Tops uit aan de westkant en genieten van de adembenemende uitzichten. Glooiende heuvels, wolken met stroken blauwe lucht, koeien loom herkauwend op de weg.

We maken een koffiestop en een poos later, in Ellerston, een lunchstop. We staan tegenover de imposante oprit/inrijpoort van een paardenspul. Stallen en nog eens stallen. Allemaal geschilderd in dezelfde kleuren. Een wachthuis met een beveiliger. Ik, nieuwsgierig als altijd, probeer een praatje te maken. Het lukt niet. Op de vraag wat het is, waar ik naar kijk, zegt de man vrij vertaald: 'een paardenspul'. Of het om renpaarden gaat, wil ik weten. Gewoon om paarden, is zijn antwoord. Waarvoor de renbaan dan is, waar wij naast geparkeerd staan. 'Om te trainen'. Hoe veel paarden er dan wel gehuisvest zijn? 'Geen idee.' Of het een bedrijf is of een particuliere eigenaar. 'Een bedrijf.' Of er iemand is die meer kan vertellen. 'Nee'. Dat ik dan wel meer informatie zal vinden op het internet. 'Ik betwijfel het. En ik mag er niks over zeggen.'
Ja, zo veel was inmiddels wel duidelijk.

Een dag later hoor ik van een toevallige passant ergens in de buurt van Tamworth dat het ging om de property van de familie Packer. Multimiljardairs, mediatycoons in de orde van grootte of groter dan John de Mol. Stamvader Gary Packer overleed tijdens onze eerdere reis door AustraliŽ en werd in Ellerston, op het familielandgoed begraven. Kranten en tv waren er uiteraard vol van. Zoon James staat nu aan het hoofd van het imperium en was een paar weken geleden in het nieuws omdat hij zijn jacht Ellerston (40 miljoen euro) in de haven van Sydney aan de (Australische) wereld presenteerde.


Ellerston © Willem de Niet
Ellerston © Ageeth de Niet
Ellerston © Ageeth de Niet
Ellerston © Ageeth de Niet
Ellerston © Ageeth de Niet
Ellerston © Ageeth de Niet


Maar daar gaat dit verhaal niet over. Het gaat over de rit van Ellerston naar Barry, twee stipjes op de kaart, verbonden door een weg die op de kaarten die wij hebben, redelijk berijdbaar moet zijn en die ons uiteindelijk in Nundle moet brengen. Geen asfalt, maar dat deert ons niet meer. Zo lang het op de kaart staat als een good gravel road is het goed genoeg voor ons en OKA196. We slingeren, rijzen en dalen, door weilanden. Aanvankelijk over een hele redelijke weg, dat moet gezegd worden. Na een uur ofzo rijden we het erf van een boerderij, hier noemen ze dat een station, op. De weg lijkt breed rechtdoor te gaan maar een klein bordje met daarop Nundle, wijst naar links, een smallere weg op. We kijken, denken, en besluiten het bord te volgen. Na een paar honderd meter staat er een bord. Met daarop dat de rest van de weg alleen voor vierwielaangedreven voertuigen is en dat er twintig creek crossings, zeg maar oversteken door een riviertje, in zitten. We kijken elkaar aan en besluiten toch nog eens te kijken of er geen andere uitweg is. Terug dus naar de boerderij, die Glenrock Station blijkt te heten. We rijden er een stukje in maar stuiten op een vrijwel ondoorwaadbare plaats en zien dat daar achter de weg echt eindigt. Terug naar Ellerston en via een andere weg naar Nundle vinden we geen optie, dat is eerst dik een uur terug. We weten inmiddels ook dat OKA196 bepaald geen watervrees heeft, mits alle wielen aangedreven worden. Dus we gaan ervoor.

Bij de eerste twee, drie oversteken door het niet al te diepe water schakel ik nog terug naar de eerste versnelling, later gaan we er in de tweede door. Ageeth, na een paar oversteken redelijk relaxed, houdt de tel bij. Zes, acht, tien, zestien, twintig en nog een paar kleintjes. Voordeel van het langs een riviertje rijden is dat de rit vrijwel vlak is. Pas na de laatste oversteek verandert dat. We gaan omhoog, de weg wordt smaller, tegenliggers zijn niet welkom maar melden zich ook niet. Na een uur blokkeert een hek de doorgang. Dat gebeurt meer, als je op een weg rijdt die dwars door een station gaat. Je opent en sluit het voor en achter je en verder is er niets aan de hand. Op het hek, hetzelfde bord dat zegt dat de weg waar wij vanaf komen, alleen geschikt is voor vierwiel enzovoorts. Maar dat wisten we of, zoals ze hier zeggen: 'we've been there, done that.'

Nog even verder omlaag naar Barry en na Barry de brede weg weer op, denken we. Totdat, na weer een half uur slingeren op een steeds groener spoor, de weg stopt. Althans aan deze kant van de kreek. Aan de overkant gaat hij gewoon door. Maar tussen ons en daar ligt een soort mini-canyon, gevormd door het water in de kreek dat recentelijk met geweld naar beneden moet zijn gekomen. Nu is er vrijwel geen water meer te zien. We zien aanvankelijk de bui al hangen. Twee uur minstens terug, weer over dat smalle bergkarrespoor. Voor de creekcrossings zijn we niet meer bang, daar knorren we in zijn drie wel doorheen, als we echt haast krijgen.

Dan zien we dat de locals een nieuwe oversteek hebben gevonden, iets verder, heel scherp de bocht om, het ene wielspoor dertig centimeter dieper dan het andere, met een scherpe draai er in en een verrekte steil uitziende oever aan de overkant. Als ik er vooruit heen rijd wordt duidelijk dat we omvallen als ik zo scherp de bocht om ga met het ene voorwiel dertig centimeter dieper dan het andere. Als ik eerst een stuk achteruit rijd en wat rechter voor de kruising kom en dan heel precies op twee ruggen blijf als ik de kreek in ga, moet het lukken. Mijn vertrouwen in de klimcapaciteiten van OKA196 is groot. Ik probeer Ageeth er ook van te overtuigen. 'Als ik er maar redelijk recht voor kan komen, kom ik er aan de andere kant wel weer uit.' Ze knikt zonder overtuiging. 'Maar ik ga wel lopend naar de overkant', zegt ze. Gelijk heeft ze. Ze geeft me aanwijzingen voor het manoeuvreren. Achteruit zo ver ik kan, draaien zodat ik recht voor de schuine oversteek kom. Dan denk ik: 'Een, twee, drie, op hoop van zegen', en geef me over aan de krachten van OKA196, het enorme koppel van de motor in de eerste versnelling-laag en de tractie van de grote Michelins. Ik duik er in, blijf gas geven, heb via de voorruit een tijdje uitzicht op de lucht boven me enÖ..sta aan de overkant.


Ellerston © Ageeth de Niet
Ellerston © Ageeth de Niet
Ellerston © Willem de Niet
Ellerston © Willem de Niet
Ellerston © Ageeth de Niet
Ellerston © Ageeth de Niet


Het duurde allemaal maar even. Zo kort dat het opstijgen, zo voelde het, niet op de foto staat. Geen repeteerstand op onze digitale camera en te weinig geheugen om er een filmpje van te maken. Als we geweten hadden wat er nog kwam hadden we de camera leeggemaaktÖ.
Verder gaat het. Op de navigatie komt Barry, en daarmee de bredere weg, in zicht. Ik meld het. Ageeth zegt: 'Ja, leuk, we zijn er nog niet'. Ik: 'Kijk op het scherm, nog maar een klein stukje'. Ik heb het nog niet gezegd of ik vloek. Althans, ik zeg: 'Shit, niet nog eens.' Want weer is de weg weg. Een klein stukje maar. Maar weer is de oever aan de overkant een verticale wand. Als ik OKA196 in de kreek rijd kan ik hooguit een potje overkantwallekantduwen want de achterkant staat dan nog hoog op deze oever.

En jawel, weer hebben de locals een alternatieve crossing gemaakt. Nog beroerder dan de vorige. Het ene spoor nog veel dieper dan het andere. En ja, bij een lagere wagen is dat niet zo erg, maar OKA196 staat niet alleen hoog op de poten, de opbouw is ook vrij hoog en de wagen is erg goed geveerd, zodat hij ook snel wat slagzij maakt. Dus moet er wat op gevonden worden om in elk geval redelijk in evenwicht aan de oversteek te beginnen. Ik kijk rond en vind een oude zware hekpaal, die mooi in de diepe sleuf past. Wat stenen er omheen moeten ervoor zorgen dat hij niet wegschiet. Ageeth loodst me precies voor het midden van de paalbalk. Ze maakt een foto. Dan geef ik gas, laat de koppeling opkomen en blijf ik gas geven. Ik duik de kreek in, de voorwielen grijpen de overkant en trekken zich omhoog, de achterwielen duwen hard mee en een paar seconden kijk ik weer naar de wolken. Dan staan de vier wielen weer stevig op de grond. Yes, yes, yes, roep ik van binnen. De boom even verderop kan gerust zijn, hij hoeft zich niet schrap te zetten. Ik had al bedacht dat de lierkabel er omheen zou moeten als ik onderin de kreek zou blijven steken.

We stappen weer in, Ageeth klimt ook weer aan boord. Even later zijn we in Barry, en nog een poosje later zetten we ons kamp op bij Sheba Dam. Eind goed al goed. Een dag later kijk ik op Google maps. Tik Ellerston en Barry in. Google meldt dat de route tussen Ellerston en Barry niet berekend kan worden. Dezelfde dag spreek ik een AustraliŽr die de buurt goed kent. Waar we vandaan komen, wil hij weten. Uit Barrington Tops, zeg ik hem. En hoe we hier gekomen zijn, Via Ellerston en Barry, zeg ik alsof het de normaalste zaak van de wereld is. 'Maar daar zijn toch twee kreekkruisingen weggespoeld. Daar kun je toch niet langs?' Met deze wagen wel, zeg ik, 'die brengt ons bijna overal.' 'Tja', zegt hij, 'dat moet dan wel.' Hij moest eens weten.