12. Meet the locals (05-04-2011)

Als je zoals wij niet op een supertoeristisch plekje in Fiji verblijft, kom je meer in aanraking met de plaatselijke bevolking, de locals. Veel mensen reizen naar Fiji, worden vanaf het vliegveld getransfereerd naar hun resort op een Bounty eiland en spreken daar met obers, kamermeisjes en gidsen en bewoners van de dorpjes waar wekelijks, soms een aantal keren, een gezelschap neerstrijkt om de authentieke traditionele sfeer te proeven.
Nou, ammehoela authentieke traditionele sfeer. Die authentieke traditionele sfeer snuif je op op de markt in Lautoka waar een wit gezicht nog steeds een opzienbarende uitzondering is. Of in de shanty towns rondom Lautoka waar hutten op palen in het regenwater staan, water en elektra ontbreken en hutten zijn opgetrokken uit restanten golfplaat en plastic zakken. Een andere manier is een flinke wandeling maken, vanuit Lautoka 11 kilometer bergop om uit te komen in Abaca, waar 35 mensen wonen. Maar die wonen in een nationaal park, krijgen regelmatig excursies op bezoek en pikken dus een flink graantje mee van het toerisme.
Nee, onderweg naar Abaca, kort voor het dorp, ontmoet je de echte locals.

Zoals Isaia en Vani. En Polly. De laatste is de eerste die ik ontmoet op die snikhete dag waarop ik voorzien van voldoende eten en drinken op pad gegaan ben naar Abaca. Ik ben tevoren gewaarschuwd. Door vriend Peter die zegt dat je als blanke toerist een doelwit bent van Fijianen die het niet zo nauw nemen. Die heel overtuigend kunnen vragen om geld. Vaak met de machete achteloos op de heup. Peter vertelt over de manager van de houtzagerij die al vier keer op klaarlichte dag overvallen is. Dan overleef je het kennelijk dus wel, denk ik.
Een medewerkster van het kinderdagverblijf waar vriendin Margaret werkt zegt dat haar oom, een van de chauffeurs van een minibusje, me beter naar Abaca kan rijden. Ik gun de man zijn omzet maar ik wil WANDELEN. Onze huis-taxichauffeur Ali brengt me een stuk op weg, naar het begin van de onverharde bergweg. Verder kan hij niet, zo slecht wordt de weg omhoog. Ook hij vertelt, heel bemoedigend, hoe hij al een aantal keren bijna is overvallen. Door mannen die door zelfgestookte drank in een roes geraakt waren en om geld vroegen. 'En als je dat niet geeft, begint de trouble. Dan krijg je stenen achter je aan gegooid.'

Afijn, ik denk dat het allemaal wel meevalt, het is een mooie dag en ik ga ervoor. Misschien scheelt het dat er op de Abaca-berg flink ontbost wordt en er dus zo af en toe een vrachtwagen met boomstammen langs komt. Net als in veel derde wereld landen wordt er harder gekapt dan weer aangeplant kan worden maar de overheid maalt er niet om zo lang het hout goed geld opbrengt. Van een milieutechnische lange termijn visie is geen sprake.
De lange termijn visie ontbreekt Łberhaupt, zo lijkt het wel, ook bij de doorsnee Fijianen. Margaret en Peter vertellen dat heel veel Fijianen niet met geld kunnen omgaan. 'Donderdag is betaaldag, vrijdag halen ze alles van de bank en woensdag is alles op. Zo gaat het week in, week uit', vertelt Margaret. 'Een enkeling kan budgetteren en wat opzij leggen voor later.'


Fiji, Viti Levu © Margaret Wright
Fiji, Viti Levu © Willem de Niet
Fiji, Viti Levu © Willem de Niet
Fiji, Viti Levu © Willem de Niet
Fiji, Viti Levu © Willem de Niet
Fiji, Viti Levu © Willem de Niet


Daar denk ik allemaal niet aan als ik de 'Abaca Road' op loop. Op, op en op gaat het. Een uur, anderhalf uur. Ik hoor in de verte de kettingzagen janken. Dan komt de eerste met bomen geladen truck de berg af zakken. Heel langzaam zodat de remmen niet te zeer hoeven worden aangesproken. Want net als de bussen van het openbaar vervoer hebben ook de meeste vrachtwagens de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots bereikt. Ik kijk of de chauffeur groet. Het is een Fijiaan van Indiase afkomst en dus ben ik lucht voor hem. Net als in Lautoka waar je van de Melanesische Fijianen steevast kunt rekenen op 'Bula', de standaard groet die letterlijk 'leven' betekent maar als hallo wordt gebruikt. Schoolkinderen groeten graag met een luid en duidelijk good morning om te laten horen dat ze goed Engels spreken.
Engels is heel belangrijk voor Fijianen. Wie allemaal tienen haalt maar een onvoldoende voor Engels heeft, zakt. Zonder pardon. Niet voor niets staat de Engelse Queen nog altijd op de Fiji dollar(munten). Ook al werd Fiji vanwege de bestuurlijke onrust en het dictatoriaal gezag in 2006 na de laatste coup geschorst uit het gemenebest.

Maar goed, de chauffeur doet net alsof ik niet als enige, van zweet doorweekte blanke, kennelijk toerist omhoog kom. Dan de jongeman even later. Het gebeurt op een lang recht stuk en we zien elkaar van verre. Hij kijkt verbaasd, ik ook. We zeggen allebei bula en maken een praatje. Hij is vanuit Abaca op weg naar Lautoka om een boodschap te doen. Uurtje of tweeŽnhalf heen, drie uur - want omhoog - terug. Hij wil weten hoe ik heet, waar ik vandaan kom en, op dat moment opvallend, hoe oud ik ben. 's Avonds realiseer ik me dat het me die dag vier keer is gevraagd.
We gaan ons weegs. Even later ontmoet ik Polly. Vrolijke man te paard die een koe aan het leren is om trekdier te worden. Uiteraard praten we even, hij komt van Abaca en gaat bij een verre buur op visite. Ik vertel hoe ik heet, waar ik vandaan kom en, desgevraagd, hoe oud ik ben. 'Zo', zegt hij, 'en dan toch nog zo aan de wandel. Kon je geen taxi betalen?'

Verder gaat het, voorbij het gebied waar de kaalslag plaats heeft. Ik hoor een auto achter me en word snel ingehaald. Mooie grote witte vierwieldrive. Zwarte chauffeur, jong blank stel met twee hele kleine kinderen als passagier. Ze stoppen. Het stel is Australisch, een dagje uit. De man wil weten of ik wil meerijden. Als ik bedank vraagt hij waar ik vandaan kom. 'Oh, een Dutchie. Ik had het kunnen weten. Bij ons in de buurt wonen ook Hollanders en die zijn altijd aan de wandel. Heb je genoeg water bij je? Wil je echt niet meerijden? Echt niet?' Ze rijden door.
Een klein uurtje voor het eigenlijke dorp zie ik een huisje/hutje. Zie niemand. Hoor ineens wel een stem. 'Bula, kom wat water drinken. Welkom'. Ik besluit de uitnodiging aan te nemen. De man stelt zich voor als Manua en geeft zijn zoon wat opdrachten in het Fijiaans, waarvan ik dus niets versta. Er komt een schaal bananen en een fles water. Bananen uit de eigen plantage, water uit de bron. We praten wat en eten nog een banaan. Ik geef hem een klein sigaartje en, omdat ik minder proviand nodig heb vanwege de bananen, een van mijn roti's. Het is alsof ik hem weet ik wat heb gegeven. Een roti van omgerekend nog geen vijftig eurocent en een belastingvrij sigaartje van dezelfde waarde. En dat in ruil voor twee euro aan bananen, want er moeten er ook nog een paar in de rugzak.


Fiji,Viti Levu © Willem de Niet
Fiji,Viti Levu © Willem de Niet
Fiji,Viti Levu © Willem de Niet
Fiji,Viti Levu © Willem de Niet
Fiji,Viti Levu © Willem de Niet
Fiji,Viti Levu © Willem de Niet


Manua moppert op de houthakkers. 'Ze rijden de hele weg kapot. Wij hebben moeite om beneden te komen om onze spullen te gaan verkopen.' Ik vraag hem hoe ze dan wel naar beneden gaan, want ik heb auto noch paard gezien. Hij vertelt dat ze met drie, vier man een auto huren. Dat is voordeliger dan er een te kopen en onderhouden. Ik ga verder, want de dag is niet van elastiek. Tweehonderd meter verder word ik weer geroepen. 'Bula, kom wat water drinken', roept een man die iets onduidelijks doet. Ik roep dat de buren hem net voor zijn geweest, hij lacht en wenst me goede reis.
Dan ben ik in Abaca. Hoor dat een half uurtje verder nog een mooie waterval ligt en besluit die dan ook maar in te passen. De mevrouw die me dat vertelt wil weten, jawel, hoe oud ik ben. Als ik na een klein uurtje Abaca vanaf de 'achterkant' binnen kom staat de grote witte vierwieldrive er. Alleen de chauffeur houdt de wacht. Vraagt of ik een lift wil naar beneden. Ik bedank, hij dringt aan maar ik win. Of ik het zeker weet. Jaaaa! Tot slot wil hij nog iets van me weten. Jawel, inderdaad, die vraag.

Een kwartiertje op de terugweg hoor ik een auto. Dat kan niet anders zijn dan de inmiddels bekende witte, want hogerop is er geen enkele auto op de berg. Er wordt gestopt, de AustraliŽr zit nu aan mijn kant. Of ik achterin wil meerijden, of ik genoeg water en nog wat te eten heb. Ik zeg nee en twee keer ja en ze vertrekken.
Als ik langs het hutje loop waar ik eerder het aanbod om water te komen drinken afsloeg, klinkt er een vrouwenstem. 'Kom een kop thee drinken', is rond deze tijd van de dag het aanbod. Ik zie een bui aankomen en denk dat het verstandig is die even af te wachten onder de beschutting van een blauw dekzeil dat voor de hut gespannen is.

Isaia en Vani zijn een jaar eerder hun plantage begonnen. Hoe ze aan de grond zijn gekomen, wil ik weten. De berg is voor een groot deel van de stam die het in Abaca voor het zeggen heeft, Vani komt uit Abaca en heeft dus het recht om een stuk grond te bewerken. Isaia: 'De grond is dus van mijn vrouw. Hier proberen we een nieuw bestaan op te bouwen. Ik heb twintig jaar in Lautoka voor een baas gewerkt. Altijd hard werken, altijd opgejaagd worden, altijd weinig verdienen. Nu werken we tenminste voor onszelf.'
Isaia en Vani zijn twintig jaar getrouwd en hebben een zoon van 16. Die zit op de highschool en woont bij een zus van Isaia die in het huis van Isaia en Vani woont. Soms op vrijdag komt de jongen de berg op lopen en gaat zaterdags weer terug. 'Hier is niets voor hem te doen. Hij heeft ook geen eigen kamer.' Dat had ik al gezien, de golfplaten hut heeft vier buitenwanden, verder niets.
Isaia verbouwt bonen, pompoenen, pepers, cassave en bananen. Geen kava wortels waarvan de verdovende nationale drank gemaakt wordt en waarmee de markt vol ligt. Als ik vraag waarom niet zegt Vani: 'Nee, we drinken geen kava. Omdat we christenen zijn. Dan drink je geen kava. Ook niet een klein beetje. Als je er aan begint raak je er aan verslaafd.'Ze legt uit hoe de wekelijkse kerkgang er uitziet. ''s Morgens worden we opgehaald. Dan is er een dienst. Tussen de middag eten we in de kerk, daarna doen we een tukje en 's middags is er weer een dienst. Daarna eten we in de kerk en 's avonds om acht uur zijn we weer thuis. Ja, elke week.'
Voordat ik wegga plukt Isaia wat pepers. Rode en gele. 'Die gele noemen we family chily peppers. Heel erg heet. Genoeg voor de hele familie. En die hele kleine ronde noemen we lollypop peppers. Maar niet zo opeten hoor!'


Fiji, Viti Levu, Lautoka © Willem de Niet
Fiji, Viti Levu, Lautoka © Willem de Niet
Fiji, Viti Levu, Lautoka © Willem de Niet
Fiji, Viti Levu, Lautoka © Willem de Niet
Fiji, Viti Levu, Lautoka © Willem de Niet
Fiji, Viti Levu, Lautoka © Willem de Niet


De bui is voorbij als ik weer verder daal. Zo zachtjesaan zou ik het niet erg vinden als er een grote witte vierwieldrive voorbij zou komenÖ Ik weet dat die kans nihil is. Maar er klinken nog kettingzagen en de mannen die de bomen vellen moeten ook een keer naar huis. In de loop van de dag ben ik via de, me dringend aangeraden, mobiel een paar keer in contact geweest met het thuisfront. Begrijp me goed, ik werd gebeld. Maar nu ben ik buiten bereik en door alle visites een uur of anderhalf achter op het schema. En de uidrukking, geen nieuws is goed nieuws, gaat hier niet op begrijp ik, maar ik kan er niets aan veranderen.
Dus loop ik door. Bijna onderaan word ik ingehaald. Een vierwieldrive met open laadbak. Er zitten zes houthakkers opgepropt in, bovenop hun kettingzagen. Maar er wordt gestopt en ik moet meerijden. Nee, ik mag niet op de rand zitten, een van de mannen stelt zijn redelijk comfortabele zitplaats beschikbaar. We hotseknotsen de berg af. Iedereen houdt iedereen vast. Daar gaat m'n lichtgele shirt. Het regent ook weer. Bijna in Lautoka moeten onze wegen scheiden. Ze wijzen dat ik linksaf moet, nog een halve kilometer. Er wordt getoeterd achter ons. Mijn volgende vervoer biedt zich spontaan aan. En zet me voor de deur af. Wat een dag. De mooiste van mijn verblijf op Fiji.

Op de laatste dag van ons verblijf in Fiji ga ik een keer terug naar het huttendorp aan de buitenkant van Lautoka. Nu gewapend met fototoestel dat ik, toen ik er op de eerste ochtend van ons verblijf was, niet bij me had. Ook nu loop ik 's ochtends vroeg tegen de stroom in. Mensen op weg naar hun werk en kinderen op weg naar school. 'Echte' Fijianen die bula zeggen en Indiase Fijianen, ooit door de Engelsen 'geÔmporteerd' dan wel uit India gedeporteerd, die geen oog- laat staan stemcontact zoeken. En kinderen die lachen en beurtelings bula en good morning zeggen.
In het huttendorp wappert overal de was aan de lijn. Wassen lijkt volkssport nummer 1. Ik fotografeer wat van de behuizingen. Doe het onopvallend. Vermijd de mensen erbij te fotograferen. Niemand kan blij of trots zijn zo te moeten leven. Maar ik blijf niet ongezien. Want regelmatig komt uit de raamloze hutten de bekende roep: bula! Uiteraard bula ik terug, soms tegen een donkere raamopening. Er branden houtvuren waarop water wordt gewarmd en waarop later wordt gekookt. Water dat met emmers uit de rivier wordt gehaald. Op nog geen kilometer hemelsbreed ligt het centrum van Lautoka. Waar elektriciteit en stromend water zijn. En computers en televisies. Wat een wereld van verschil binnen een kilometer.

Tussen de shantytown en de vuilnisbelt een paar honderd meter verderop ligt het crematorium, heb ik op een plattegrond gezien. Eerst zie ik het niet. Dan staan er wat bouwseltjes en ontdek ik brandstapels. Klaar om ontstoken te worden. Verder een grote houtberging. Er staat een huis in de hoek van het terrein. Er komt een man naar buiten. Korte broek, ontbloot bovenlijf, net uit bed zo te zien. Het is Aroni, de beheerder van het crematorium. Nee, hij hoeft zoals hij er nu bij loopt nog niet zo nodig op de foto. Maar wil best even praten. 'We cremeren Fijians, Indians en Europeanen. Tot nu toe een Amerikaan, een Italiaan en een AustraliŽr. Hier zijn vijf plekken waar iemand gecremeerd kan worden. Twee gebruiken we heel regelmatig, twee wat minder en de vijfde is alleen voor als er hele grote ongelukken of natuurrampen gebeuren. De kist kun je kopen of huren. Kijk, deze kist komt uit Amerika. Die is alleen voor het opbaren, voordat het lichaam wordt verbrand wordt het uit de kist gehaald en op de brandstapel gelegd. Mensen die rijk genoeg zijn verbranden de kist ook mee, maar meestal gebeurt dat niet. Er zijn ook twee opbaarplaatsen waar mensen afscheid kunnen nemen van de overledene. Ja, alles gebeurt hier in de open lucht. Is ook makkelijker voor de geest van de overledene. Die hoeft niet naar de uitgang van het gebouw te zoeken', grapt Aroni.

Ik loop terug naar huis, via de stad. Kijk nog even of ik een leuke polo kan vinden, iets simpels met een palmboom en Fiji er onder. Mooi niet. Voetbal- en rugbyshirts en 'Hawaii hemden' bij de vleet. Geen shirts voor toeristen. Wat hebben die hier nou ook te zoeken.
Als ik zonder iets te kopen naar buiten loop en groet, wordt vriendelijk teruggegroet. 'Bula vinaka. Thank you, better luck next time'.