17. Lange avonden na lange etappes (03-03-2003)

Het heeft even geduurd, maar we hebben weer lange avonden. Dat komt doordat we binnen een week de klok twee keer vooruit moesten zetten. Ergens op de Nullarbor drie kwartier en later, op de grens tussen West- en Zuid-AustraliŽ nog eens een uur en drie kwartier. En dat is dus het dubbele effect van de zomertijd. We herinneren ons nog goed hoe het was toen we vanuit het Northern Territory West-AustraliŽ binnen reden en de klok twee uur achteruit moest. Omdat het ook nog eens vroeg in het voorjaar was, was het om half zes bijna donker. Maar nu, eind februari en het eind van de zomer, gaat de zon om kwart over acht onder in de Southern Ocean die we zien vanaf het Eyre Peninsula. En daarmee zijn we bijna terug in Port Augusta waar we begin mei vorig jaar aan de lange weg naar Darwin begonnen.

Misschien dat vanwege die lange weg de Nullarbor niet zo heel veel indruk heeft gemaakt. Natuurlijk, het is een heel eind, de 1300 kilometer tussen Norseman en Ceduna. Met een kaarsrecht stuk van een kleine 150 kilometer er in. Echt, helemaal kaarsrecht. Gekke gewaarwording. En er ligt onderweg geen dorp met meer dan 25 inwoners. We hebben dus maar weer eens wat dagen van 350-plus kilometers gemaakt. Dat gaat bij ons ongeveer zo: na het ontbijt een uurtje rijden tot de koffie. Na de koffie een uurtje rijden tot de lunch en na de lunch een uurtje of drie rijden tot het plekje voor de nacht waar we voor het eten nog een uurtje of anderhalf in de luie stoel van de zon en een koel drankje genieten. En zo rond half zeven gaat het vuur onder de piepers aan.
Van de Nullarbor zelf, de boomloze vlakte, zie je vanaf Highway 1 maar weinig. De spoorlijn, honderd kilometer ten noorden van de highway, loopt er wel doorheen. Als automobilist word je er tegen het einde van de rit via borden op attent gemaakt dat je nu echt op de Nullarbor Plain rijdt. En inderdaad, zo'n 150 kilometer lang is er in geen velden of wegen een boom te zien. Maar om nou te zeggen dat het een saaie rit was, nee. De enkele fietsers die we tegenkwamen moeten er anders over hebben gedacht. Ga er maar aan staan, beter gezegd voor zitten. Etappes van honderd tot bijna tweehonderd kilometer tussen twee roadhouses, de enige plekken waar mens en machine gevoed en gelaafd kunnen worden. Tweehonderd kilometer waarin het landschap niet verandert, de zon brandt, de wind constant waait en er nergens te schuilen valt als er tegen de avond een onweer losbarst. Helden vind ik ze. Gekken zijn het volgens Ageeth.

Maar nu wordt het toch tijd om even terug te gaan naar waar we het vorige reisverslag eindigden, in Albany, op weg naar Esperance.
Tussen Albany en Esperance beleefden we geen spannende avonturen. Het was even geen strandweer, dus we maakten aardig kilometers. In Esperance, waar we precies tien jaar geleden al eens een week waren, was het alsof de tijd had stilgestaan. Het appartement waar we verbleven stond er nog en was niets veranderd. De zeeleeuwen bij de pier hoefden nog steeds niet meer te doen dan hun bek open te houden bij de visschoonmaakplaats. En de Chinees was er ook nog, zij het dat de beste man nu Fully Licensed is om alcohol te verkopen en schenken. In 1993 had hij zijn 'Volledige Vergunning' nog niet en maakten we daar voor het eerst kennis met het fenomeen BYO ofwel Bring Your Own. Dat wil zoveel zeggen dat als je uit eten gaat in een niet-licensed restaurant, je je eigen drankjes meebrengt en die door de ober laat uitserveren. Scheelt een flinke slok op een borrel, of je een fles AH huiswijn meebrengt of een Chateau Neuf du Pape van de wijnkaart bestelt.


DJ in Norsman © Willem de Niet Norsman © Ageeth de Niet Kalgoorlie open goudmijn © Ageeth de Niet Kalgoorlie © Willem de Niet Kalgoorlie © Willem de Niet Norseman © Willem de Niet


Vanwege de grote was (dekbedhoes, onderlakens, stoelhoezen) streken we een dag neer op een camping. De eerste die ons daar verwelkomde was Max Bettison van de Undertaking Completed die we eerder zo heel toevallig in Perth hadden ontmoet. Het was een hartelijk weerzien en tijdens het happy hour maakten we kennis met de bemanningen van nog een aantal hele grote omgebouwde touringcars die al een tijdje een konvooi vormden. Allemaal op los-vaste basis overigens. Iedereen rijdt dezelfde kant op maar de een blijft hier een dagje langer, de ander daar. Zodat het soms een tijdje duurt voordat de groep weer herenigd is, soms haakt iemand definitief af en sluit een nieuw lid zich aan. En wie een dag eerder vertrekt, mailt vanuit de volgende plaats de laagste brandstofprijzen door aan de rest van de groep. Vooral bij de echte grote ex-bussen, met brandstoftanks van 500 liter of veel meer, scheelt een paar cent op een liter heel wat. En de brandstofprijzen kunnen binnen een paar honderd meter enorm schelen. Zoals in Norseman, het startpunt voor de Nullarbor. Drie tankstations zijn er en toen wij er waren kostte de diesel bij de Ampol 1,01.9 dollar, bij de Shell 1,06.9 en bij BP 1,09.6. Bijna acht dollarcent duurder dan de goedkoopste. En dat maal vijf-, zes- zevenhonderd of duizend literÖ

Wij troffen de groep weer op weg naar Kalgoorlie en reden een dag mee. Tijdens zulke dagen komt de CB radio 'het bakje' goed van pas. Er is overleg over de koffiestop, de voorste man wijst de rest op bijzonderheden en de laatste man waarschuwt voor achteropkomende roadtrains. Die roadtrains zijn ook de reden dat de tussenafstanden in het konvooi groot zijn. Een invoegende roadtrain heeft nu eenmaal veel ruimte nodig.

In Kalgoorlie vormde de Super Pit, de grootste open goudmijn van AustraliŽ, de grootste trekpleister. In een gat zo diep als, zeg maar, 260 meter, scheppen gigantische graafmachines rotsen in even gigantische zogeheten mining trucks. Kiepwagens met een laadvermogen van bijna 220 ton, 2300 paardenkrachten, een benzinetank van bijna 4000 liter en banden die 26.000 dollar, Euro 12.000 per stuk kosten. Dag en nacht, 365 dagen per jaar, gaat het door. Elke dag is er de 'blast', het laten springen van een stuk rots. Genoeg voor weer een dag puinruimen. Puin met daarin 5 tot 10 gram goud per ton.
Als over een aantal jaren de mijn op diepte, maar vooral ook op lengte en breedte is, is het gat 500 meter diep, tien kilometer lang en vier kilometer breed.
Kalgoorlie ademt nog steeds de tijd van de goudkoorts al was het alleen door de goed bewaard gebleven gebouwen uit de gouden tijden van weleer.

Na Kalgoorlie en Norseman duurt het even voordat er weer een plaats van enige betekenis opduikt. Dat is Ceduna, aan de westkant van het Eyre Peninsula. We komen Ceduna binnen zonder een aardappel, appel, banaan of peer aan boord. Net buiten de plaats is het quarantainestation waar iedereen moet stoppen en een van de inspecteurs even een kijkje in de wagen en vooral in de koelkast neemt. Het gaat niet helemaal zo ver als bij het inrijden van West-AustraliŽ toen binnen en buiten bijna elke la of bagageluik open moest. En dat allemaal vanwege de gevreesde fruitvlieg.

De supermarkten in Ceduna zitten er goed door en lijken de prijzen schaamteloos te hebben aangepast, wetende hoe groot de behoefte van reizigers aan vers fruit en groente is en hoe ver het naar de volgende grote plaatsen met grote supermarkten is. Naar Port Lincoln in het zuidoosten is het 405 kilometer, naar Port Augusta in het oosten 465. En dus koopt iedereen appels van bijna 2 euro per kilo, bananen voor dezelfde prijs en een krop sla voor een euro. Aardappels zijn met 75 eurocent per kilo niet eens extreem duur voor Australische begrippen. De weg van Ceduna naar Port Lincoln, waar deze update 'omhoog wordt geschoten', zoals de webmistress dat noemt, is geplaveid met de meest fantastische stranden, (bijna) gratis kampeerplaatsen en adembenemende rotskusten. De verleiding is groot om bij elke afslag naar de oceaan te rijden en een dagje te blijven staan. Maar dat betekent veertig tussenstops op een afstand van 400 kilometer. En dat gaat zelfs de bemanning van deze boemelmotorhome te ver.


Head of the Bight © Ageeth de Niet Perlubie Beach © Willem de Niet Murphy's Haystacks © Ageeth de Niet Murphy's Haystacks © Willem de Niet Mount Camel Beach © Willem de Niet Mount Camel Beach © Willem de Niet