24. Via 'oude bekenden' naar bekend terrein (26-11-2003)

En weer zijn we in Adelaide. Er is geen plek in AustraliŽ waar we, van welke kant dan ook, zo vaak terechtkwamen. Drie keer eerder lag de hoofdstad van Zuid-AustraliŽ op de route, dit keer eigenlijk niet. Hoewel, toch weer wel. Want ons laatste jaar in AustraliŽ staat, zoals in de vorige aflevering al gemeld, in het teken van het opzoeken van vrienden en bekenden tijdens een soort afscheidstournee.
Het begon met het al eerder gemelde bezoek aan Karin en Maarten in Loganholme. Daarna zochten we onze 'vrienden' bij Swagman op. De aanhalingstekens staan er omdat de contacten met de leverancier van ons huis op wielen niet altijd even soepel verliepen. Dat heeft er hoofdzakelijk mee te maken dat Swagman geen dealers heeft en dus, als er iets is, zegt: 'je kunt het beste even langs komen'. Maar je haalt het niet in je hoofd om vanuit Perth, Darwin, Melbourne of Adelaide 'even' naar Brisbane te rijden. En dus moet je 'in den vreemde' op zoek naar iemand die dat kan doen wat eigenlijk een Swagman dealer had moeten doen. De meeste bedrijven die dan een reparatie doen willen wel graag direct betaald worden omdat ze verder geen cont(r)act met Swagman hebben. En omdat het tot nu toe allemaal garantieklussen waren, moet het geld weer terugkomen van Swagman. Dat duurt wel eens even, om het maar zachtjes uit te drukken.
Maar goed, nu waren we dan na twee jaar weer in de buurt van Brisbane en kon er mooi wat 'achterstallig' onderhoud worden gepleegd. Een hele serie van die kleine dingen waarvoor je anders even bij de dealer langs rijdt maar die we nu hadden opgespaard. En het moet gezegd, ze hebben het keurig voor elkaar gemaakt. Als tevreden leden van de Swagman Club gingen we na drie dagen weer op pad. Terug naar het noorden, waar we net vandaan kwamen.

Naar Howard, bij Hervey Bay, waar Frances en Eric Woods wonen. In hun camper, naast een grote schuur. Hun huis hebben ze verkocht, een deel van de schuur wordt bewoonbaar gemaakt en als dat is gebeurd gaan ze voor onbepaalde tijd op pad. Het werd een echt werkbezoek. Zie daarvoor Ontmoeting 19.

Het volgende bezoek is dat aan Bill en Mary Twigg in Gladstone, bij Kempsey. Aan de kust in New South Wales, 800 kilometer naar het zuiden langs de kustweg. We besluiten door het binnenland te gaan en er zo 1200 kilometer over te doen. Op de een of andere manier hebben we niets met de kusten net ten noorden en zuiden van Brisbane. 'Net ten noorden en ten zuiden' betekent hier wel 200 kilometer aan elke kant. Veel te druk, veel te toeristisch en het barst er van de bordjes 'no camping'. Dus gaan we vanaf Maryborough landinwaarts. Het is een verademing om weer in een plaatsje als Cooyar te komen. Tien huizen, een general store, postkantoor (met Limburgse emigranten als plaatsvervangers voor de zieke beheerster) een hotel en uiteraard een mooi parkje. Met elektrische barbecue, picknickbanken en een wc op loopafstand. En op een paal een kast met twee stopcontacten. En de mededeling dat de sleutel bij het hotel gehaald kan worden. Voor vijf dollar borg. En dat het stroomverbruik verder gratis is en dat je maar een prettig verblijf mag hebben.

Na Toowoomba komen we weer op bekend terrein. We gaan even op bezoek bij de familie Nolan met hun 140 koeien en zes dochters. Gerard is de man die ons zo fantastisch hielp toen we onze fietsen verloren, kort na de rally in Casino. (Zie Ontmoeting 18.) Ze vinden het fantastisch dat we weer even langs komen, we blijven uiteraard mee-eten en rijden met rondom bliksemflitsen naar een prima overnachtingsplek die we van de vorige keer nog kennen.


Dangar Falls © Willem de Niet
Ananasveld © Willem de Niet
Palms National Park © Ageeth de Niet
Morgan (SA) bijna zomer © Willem de Niet
Dorrigo National Park © Willem de Niet
Dorrigo Rainforest © Willem de Niet


De volgende tussenstop is in Casino. We overnachten er in Casino Village, het terrein waar de CMCA bezig is met het aanleggen van een 140 hectare groot 'dorp'. Met retirement-villa's, permanente en tijdelijk staanplaatsen, ruimte voor evenementen, een auditorium met een capaciteit van 2500 toeschouwers en ga zo maar door.
We ontmoeten er Larry en Sherry uit Canada. Ervaren motorhomers, in Canada, de VS en Europa. Een bron van informatie voor ons, aspirant Amerika- en Canadagangers.
Zelf ruilen ze voor hun overzeese reizen. Larry had er al een website www.swapyourrv.com over opgezet en kocht er onlangs tijdens zijn bezoek aan Nieuw Zeeland een bij van een Nieuw-Zeelander die er wel mee was begonnen, maar er geen tijd meer voor had www.MotorhomeExchange-Sell.com.

Dan zoals gezegd op naar Gladstone. Voor een paar dagen bij Bill en Mary Wright. Ze zijn 70 en 60 jaar oud maar met name Bill barst nog van de plannen. Meer over dit opmerkelijke stel in Ontmoeting 20.
Dan hebben we voorlopig weer genoeg van de kust gezien en gaan we het binnenland weer in. Langs de Waterfall Highway door de New England National Park Wilderness Area. Het is een prachtige route door heuvelachtig terrein met hellingen waarop DJ flink moet werken. In de tweede versnelling omhoog en in dezelfde weer omlaag. Met grote grindbakken onder aan hellingen om vrachtwagens met oververhitte remmen tot stoppen te brengen. Het doet denken aan de Alpen zonder de echt hoge toppen.

Tot Tamworth blijft het heuvelachtig en groen, daarna keert de Outback weer terug. Het is niet alleen het landschap, ook aan de dorpjes is te zien dat het over is met de grazige weiden temidden van beken, rivieren en watervallen. Leegstaande huizen, gesloten winkels en veel tekenen van vergane glorie. Jonge mensen wonen er vaak niet meer. Die trekken naar steden als Dubbo, Orange en Cowra. In die laatste plaats maken we weer een tussenstop van een paar dagen. Achter het huis van Bev Lamrock, een heel bijzondere vrouw. Meer over haar in Ontmoeting 21.


Wollomombi Gorge © Willem de Niet
Cowra © Willem de Niet
Sheer Outback © Willem de Niet
Sheer Outback © Ageeth de Niet
Morgan ferry © Ageeth de Niet
Gekrulde boom © Willem de Niet


Maar voordat het zover is doen we zo maar een emmer honing op. Dat komt zo. Net ten zuiden van Dubbo rijden we aan het eind van de middag een bos in. Mooi plat plekje tussen de bomen. Verderop zien we een grote platte vrachtwagen staan. Met achter op een Bobcat, een mini-graafmachine maar in dit geval voorzien van de vorken van een vorkheftruck. Ernaast twee vouwstoelen, een tafeltje en een gasfles met kooktoestel. Verder niemand in de verre omtrek. Tegen zes uur komt er een pick-up truck met twee mannen langs rijden. De bestuurder stopt, vraagt 'how we are' en zegt dat hij bijenhouder is. Onderweg met drieduizend bijenvolken in kasten, duizend kilometer van zijn huis in Queensland. Daarna gaan ze naar hun kamp, hun potje koken. Het wordt een koude avond. Vandaar dat ik naar de mannen toe loop om ze uit te nodigen voor een kop koffie in DJ. Ze zitten net, dik ingepakt, een vorkje te prikken onder de sterren en zeggen graag een bakje te komen halen. Als ze aankloppen krijgen we eerst een emmer honing in de hand gedrukt. Geen gekke ruil voor twee bekers koffie. Want ze willen geen tweede bak of na de koffie iets anders drinken. Morgen is het weer vroeg dag.
We horen dat het niet gaat om vader en zoon, zoals we dachten, maar om de baas en een werknemer. Een jongen uit Clare, in Zuid-AustraliŽ. Zijn vader heeft een groot benzinestation maar hij is al van jongsaf geÔnteresseerd in bijen. 'En toen ik op het internet een advertentie zag, heb ik gesolliciteerd'. We leren dat de mannen tientallen keren per dag worden gestoken maar dat ze inmiddels vrijwel immuun zijn. 'Het jeukt even, maar 's avonds is het al weer weg'. En dat ze het grootste deel van het jaar op pad zijn om her en der in bloemrijke streken de kasten te plaatsen. En dat er ook zaken gedaan wordt met Frankrijk, Engeland en Japan. Niet om honing te verkopen maar koninginnen. Bijenkoninginnen wel te verstaan. Per dozijn in speciale verpakkingen, beetje suiker mee voor onderweg. Een etmaal later zijn ze aan de andere kant van de wereld.

In Cowra bezoeken we de Japanse Tuin en het voormalige krijgsgevangenkamp. Vierduizend Japanse, Indonesische en Italiaanse krijgsgevangen werden er tussen 1942 en 1945 ondergebracht. De Italianen vonden het wel best, die werkten bij de boeren in de omgeving op het land en een aantal van hen kwam terug na de oorlog. Met de Japanners werd geen risico genomen. Die bleven binnen, totdat er in augustus 1944 een paar honderd uitbraken. Natuurlijk slaagden ze er niet in terug naar Japan te komen. Een aantal werd weer gepakt maar het gros pleegde zelfmoord omdat ze de schande van het gevangen zijn niet konden verdragen. Zo weigerden ze ook hun naam op te geven, zodat hun familie en superieuren niet aan de weet kon komen dat ze zich levend gevangen hadden laten nemen.
Ook Nederland was betrokken bij het krijgsgevangenenkamp. Vanuit het voormalig Nederlandsch Oost IndiŽ werden honderden IndonesiŽrs overgebracht van wie de Nederlandse regering dacht dat ze met de Japanners zouden gaan samenwerken. Een soort preventieve deportatie. Zo leert een mens nog eens wat. De Japanse tuin is het teken dat inmiddels alles vergeten en vergeven is.

Verder gaat het, over de grote vlakte tussen Cowra en Mildura, op de grens van New South Wales en Victoria. En daarna zakken we in South Australia langs de oever van de Murray River, door de Barossa Valley en over de Adelaide Hills af naar Blackwood voor een derde bezoek aan Peter en Margaret Wright (Ontmoeting 17). voordat we Joan en Colin Miller in Allendale North een verrassing gaan bezorgen. Daarover binnenkort meer in een speciale extra update van deze website.