2. Familie Flens, Seaspray (Vic)

De zomer 2001/2002 was niet best in Victoria. In de Victorian Alps kwam de zeer onverwachte sneeuw een paar dagen te laat voor een witte kerst en half januari langs het Eighty Mile Beach was net het strand bij Schoorl tijdens een gure herfststorm. Op zondag 13 januari waren we dan ook niet vooruit te branden. De wind loeide om de wagen, er viel af en toe een buitje. Jawel, dat weer hebben we ook meegemaakt.
Dus we draaiden ons nog eens om. En nog eens. En zo werd het elf uur, half twaalf of nog wat later voordat we thee zetten, een eitje kookten en onze brunch nuttigden. Weer een uurtje later kwamen we echt in beweging. Op weg naar Seaspray. Op zo'n winderige dag kun je je voorstellen waar zo'n naam vandaan komt. In het dorp een winkel, een fish and chips cafetaria en caravans, heel veel caravans op een gigantische camping. Met naast elke caravan een visboot, want het was geen weer om te gaan vissen.

In Seaspray besluiten we Henk Flens te bellen. Om hem te vragen of we de laptop een half uurtje aan zijn vaste telefoonlijn mogen leggen om zodoende het anti-virusprogramma weer up to date te krijgen. Henk staat in het boekwerkje vol 'hulpverleners' van de CMCA en we hebben het sterke vermoeden dat hij Nederlander of althans van Nederlandse komaf is. En dat trekt, bij echt Nederlands weer.
En jawel, Henk is van Nederlandse komaf en jawel we zijn welkom. Ze wonen een 'stukje' buiten het dorp (maar een kwartier rijden), aan een weg die wel een naam heeft maar waaraan de huizen niet genummerd zijn. ,,Maar je ziet het wel, we hebben een deerfence, een hertenhek. Je kunt het niet missen.''
We zien het hek eerder dan het huis want in het Australische buitengebied zijn de opritten lang. We worden opgewacht door Henk Flens, geboren en getogen in Oostzaan en zijn vrouw en twee zoons. Naast het huis een motorhome die duidelijk al een tijdje niet gebruikt is. ,,Nee, we gebruiken hem niet zo veel meer. We zijn ook geen lid meer van de CMCA maar staan zeker nog wel in het boekje. Nou, vertel eens wat jullie willen, want we hebben geen computer en weten niet eens of de lijn wel uit de telefoon kan.''
Ageeth glimlacht. Ze is inmiddels expert in het loskoppelen van telefoonlijnen. Ook hier lukt het weer en de lijn verdwijnt in onze laptop, door ons steevast met Lappie aangesproken. Ja, aangesproken, want het kan helpen, bij een schootcomputer die af en toe kuren had. Dat af en toe is een understatement, maar we willen Lappie nu te vriend houden.

Terwijl de laatste virusbestrijdingsmedicijnen vanaf het web door Lappie worden opgeslokt, wordt er koffie gedronken. Met koekjes, aardbeien met slagroom, crackers met kaas en stukjes worst. Er wordt gepraat over van alles. De hele familie is bij de vrijwillige brandweer en Henk is pas nog bij de grote bosbranden rond Sydney en de Blue Mountains geweest. Hij vertelt er nuchter over, maakt het niet spannender dan het was.

Een van de zoons heeft een flink stuk land afgehekt en fokt daar herten. Echte grote edelherten. Met enorme geweien. We kunnen wel even gaan kijken. Met de Toyota Landcruiser, want daar zijn de dieren aan gewend. ,,En het is veiliger, want als ze kwaad willen, ben je nergens. Ze zijn ook niet te vertrouwen. Je moet altijd op je hoede zijn als je in de paddock bent.'' Een weiland in AustraliŽ heet geen meadow maar een paddock, dat heeft Peter Feenstra me al geleerd.
De herten worden gefokt voor de export. Voor het vlees, de huiden en de geweien. Ze gaan naar verre bestemmingen als Duitsland en Japan. ,,Er zijn mensen die zo'n beest kopen alleen al om het gewei boven de open haard te kunnen hangen. En dan maar opscheppen hoe ze het beest ooit beslopen en met een enkel schot neergelegd hebben'', zegt de fokker, die heel veel weet van de Australische fauna.

Net als zijn broer is hij een echte liefhebber. ,,Soms gaan we een weekend weg. Vogels kijken, vissen, jagen. Dan rijden we duizend kilometer, overnachten in de bush, doen waar we voor gekomen zijn en rijden weer terug.'' Het gesprek komt op de vogels die we al wel en nog niet gezien hebben. Hij moest eens een tijdje meereizen. Dan werd ons een stuk meer duidelijk over alles wat rondvliegt en fladdert. Want we hebben al eens met een vogelboek in ons handen gestaan in de boekwinkel maar de aankoop nog steeds uitgesteld.

De tijd vliegt en omdat we graag ruim voor het donker weer een plekje voor de nacht willen vinden, nemen we met tegenzin afscheid.
Als de motor is gestart zegt de zoon-hertenfokker: ,,Wacht even, ik heb nog wat.'' Hij loopt terug naar binnen en komt terug met 'What bird is that? The Classic Guide to the Birds of Australia'. Splinternieuw, geen lullig boekje maar een pil van 450 bladzijden. ,,Hier, dat mogen jullie wel hebben, ik heb nog meer vogelboeken. Nee, echt, neem maar mee. Het ligt bij mij maar te liggen. Nee, ik wil er ook geen geld voor, echt, neem nou maar mee.'' Daar zitten we dan, elkaar wat verbluft aan te kijken. Hoe lang kennen we deze mensen nu helemaal. Twee, drie uur? Zien we ze ooit nog een keer? We denken van niet. Kunnen we iets voor ze terug doen? Dat denken we ook niet. Dankbaar vertrekken we, toeteren en zwaaien zo lang we kunnen. Meer kunnen we niet doen. We hebben het in de dagen na het gedenkwaardige bezoek nog vaak tegen elkaar gezegd: ,,Snap je dat nou? Je komt binnen, gebruikt de telefoonlijn een half uur, wordt volgestopt met lekkers en krijgt nog een boek toe. Bij mensen die je niet kende en die je nooit meer zult zien.'' We laten het er maar bij. En gebruiken bijna dagelijks het boek.