39. Clifford Pryde, Buaraba (Qld)

De ochtend nadat we in Buaraba zijn neergestreken en ons hebben gesetteld aan ons eigen 'zwembad' komt er, gepaard gaande met veel uitlaatgeluid, een aftandse Toyota pick-up truck aanrijden. Ik hoor hem van heel ver komen en zie dat hij het spoor in draait dat naar ons voert. Door de kreek gaat het, aan onze kant weer omhoog en tot net achter OKA196. De bestuurder stapt niet uit, zijn hond wel. 'And who are you', zegt een oude man. De waarheid klinkt soms niet eerbiedig. Maar Clifford Pryde, de vader van Marilyn Deuter, is bijna 91 en mag oud genoemd worden. Ik vertel hem wie ik ben en dat ik hem geen jaar ouder dan 90, misschien bijna 91 schat. Hij lacht en wil weten hoe ik dat weet. 'Oh, heeft die meid weer over me lopen kletsen?'

Dat kletsen heeft Marilyn van niemand vreemd. Clifford is blij dat er eens een nieuw en ander gezicht is uit een heel ander deel van de wereld. Binnen de kortste keren weet ik veel van hem en zijn voorgeschiedenis. Dat de Prydes uit Schotland kwamen toen in Ipswich de eerste kolenmijn van AustraliŽ werd geŽxploiteerd. En dat, net als een paar maanden geleden, het station in Ipswich blank stond en vader Pryde op het punt stond om terug te gaan naar Schotland, als het in AustraliŽ altijd zo was.
Hij vertelt over de zware tijden, over het zoeken naar werk, over mislukte avonturen in de goudvelden van zijn familie of die van zijn vrouw. Marylin had het al gezegd: 'He is still pretty clever but does not always have the facts and figures right.'


Clifford Pryde ©Willem de Niet

Clifford in zijn truck met hond Trooper


Clifford wil weten waarom we niet meer werken. En wie dat allemaal betaalt, die eerdere en deze reis naar AustraliŽ. 'Oh, gespaard, huis verkocht en nu pensioen. Weet je dat ik geen pensioen krijg? Omdat ik deze grond nog heb. Ze zeggen dat deze 3000 acres (1200 hectare) anderhalf miljoen dollar waard is.' Een maand eerder hoorden we hetzelfde verhaal van het fruitkwekersechtpaar Nerio en Yonnis in Casino. Ook hun grond was (net) te veel waard om voor een pensioen in aanmerking te komen.
Als Clifford hoort dat in Nederland iedereen een pensioen van de staat krijgt is hij verbluft. 'Ook miljonairs', wil hij weten, 'ook de koningin?' Ik zeg hem dat ik bijna zeker denk te weten dat ook Hare Majesteit maandelijks een overboeking van de Sociale Verzekerings Bank krijgt.
'Het is niet eerlijk', constateert Clifford Pryde, 'ze zouden de arme mensen wat meer moeten geven en de rijke mensen minder. Het is toch te gek voor woorden. Als ik dit hier zou verkopen, voor mijn part voor een miljoen en er een mooi huis aan de Gold Coast van liet bouwen, zou ik een pensioen krijgen. En nu niet. Maar ik red me wel, ik heb niet veel meer nodig.'
'Weet je wat ik erg vind', vervolgt hij, 'dat ik de fruits of my labour niet kan plukken. Waarom niet? Omdat ik niet meer kan lopen.' Als ik zeg dat hij toch nog kan 'riden', krijg ik een beknopt lesje Engels. 'Het is vijf jaar geleden dat ik voor het laatst op een paard heb gezeten. Dat is 'riden'. Wat ik nu doe is driving around. In een auto, snap je.'
Ik moet even denken aan vriend Werner in Wilsum. Hij gaf me dezelfde les toen ik zei, 'wir gehen wieder', toen we hem en zijn Karin op de fiets bezochten. 'Nee Willem', zei Werner, het is wir fahren wieder', gehen doe je op je voeten.' Grappig.

Intussen staan we een uurtje of zo te praten. Of ik al ontbeten heb, wil Clifford weten. Als ik zeg van niet zegt hij: 'Nog niet? Man de dag is half voorbij.' Begrijp me goed, het is kwart over acht. Tenminste, daar kom ik achter als Clifford op zijn klokje kijk of hij zich al bij het musteren moet melden. Mijn horloge staat op kwart over negen. Een paar dagen eerder kwamen we Queensland binnen en omdat het daar, zeggen ze, altijd zomer is, doen ze er niet aan zomertijd. In New South Wales wel, en dus krijgen we er een uurtje bij. Wisten wij veel. Maar goed, Clifford moet uiteraard gaan kijken of de 'cowboys' hun werk goed doen, roept hond Trooper en vertrekt. In zijn 'truck', zoals hij het zelf noemt, zonder nummerborden, zittend op de binnenvoering van de stoelen, een uitlaat die weinig geluid meer dempt. Achteruit, draaien, door de kreek en naar de mannen.

Mijn idee dat we het laatste nog niet hebben gehoord en gezien van Clifford is juist. Aan het eind van de dag, net als we een duik in de kreek nemen, hoor ik hem al van verre aankomen. Ageeth, die aan het semi-skinny dippen is, kan nog net aan land komen en een handdoek omslaan. Ik leid Clifford af. We praten verder.
Over het musteren, dat redelijk goed is verlopen. Over de leider van de groep van vijf cowboys die vier honden heeft die hij onder het werken stuk voor stuk aanspreekt en opdrachten geeft. 'Zo voorkom je dat ze allemaal hetzelfde gaan doen. Clever bugger. Een Ier is het. Nou ja, daar kan hij ook niets aan doen. Maar zoals hij die honden onder controle heeft, niet te geloven. Hij roept eerst de naam en dan de opdracht. Die andere honden blijven dan gewoon zitten.'


Clifford Pryde ©Willem de Niet

Clifford op zijn trekker bij ons afscheid


'Nee, mijn hond is niet zo bijdehand. Heeft dat nooit goed geleerd. Hij is wel heel gehoorzaam. En hij verstaat en begrijpt veel van wat ik zeg. Als ik in huis opsta en naar de deur loop, blijft hij liggen. Maar als ik naar de stoel loop waar mijn laarzen staan, zit hij al in de auto. Weet je waarom hij Trooper heet? Omdat de buurman Tucker heet.' Ik kijk hem vragend aan. 'Toen mijn vorige hond verdween, waarschijnlijk doodgereden toen hij naar de loopse teef van de buren ging, heeft Marylin een nieuwe hond voor me gevonden. In de regionale krant. Gratis af te halen was hij. Toen ik vroeg of hij al een naam had, zeiden ze Tucker, omdat hij altijd wilde eten. Good tucker zeggen de Aboriginals tegen lekker eten. En als je naar je werk gaat, neem je je tucker box mee, snap je? Maar we hadden net een nieuwe buurman gekregen en die heette Tucker. Bill Tucker ofzo. Nou, toen wilde ik mijn hond geen Tucker noemen. En heel vroeger, toen ik nog een schooljongen was, had ik een hond die Trooper heette. Zodoende.'

Af en toe wordt het gesprek wat minder ontspannen. Als Clifford het over zijn door huidkanker geteisterde lichaam heeft. Het is gek om te zeggen, maar de gaten vallen er letterlijk in. In zijn hoofd, zijn armen en zijn benen, overal zit het. 'Weet je, vroeger deden ze niet aan smeersels. Ik heb tientallen jaren niet eens een hemd met mouwen gedragen. En altijd maar in de zon. Tja. En dan die benen, die niet meer willen.' Als ik zeg dat er legio leeftijdgenoten zijn die de hele dag hun stoel of zelfs hun bed niet meer uitkomen, vindt hij een beetje berusting. 'Ja, dan heb ik het zo slecht nog niet. Maar ik ben wel helemaal alleen.'

Clifford heeft het er moeilijk mee als hij over zijn vrouw Hazel Jean begint. 'In 2008 is ze overleden. Aan blaaskanker. Ze was nog maar 84. Ik kan het woord kanker niet meer horen, snap je? We waren bijna 63 jaar getrouwd. Toen we zestig jaar getrouwd waren kregen we een brief van de koningin. Nee, niet met een cheque er in. Maar een mooie brief.'
Zelf is hij van plan nog een aantal jaren mee te gaan. 'De Engelse koningin moeder werd 101. Als zij honderd kon worden, waarom ik niet. Misschien krijg ik dan weer een brief van de koningin. Of van Charles? Nee toch!'

Ik beloof hem dat ik op de dag van ons vertrek bij hem langs zal lopen. Hoog op de heuvel in zijn huis uit 1925. Clifford vertelt me dat een eerder huis onderaan de heuvel bij de kreek stond. En dat zijn moeder altijd doodsangsten uitstond dat een van de kleintjes in de kreek zou vallen. Dus toen er een nieuw huis moest komen besliste ze dat dat hoog moest staan.
Het lijkt of de tijd, en het onderhoud, er heeft stilgestaan. Ik zeg hem dat ik een klein half uurtje heb. 'Nee toch, ik heb nog zo veel te vragen.' We hebben het hoofdzakelijk over koeien, rassen, castreren, steriliseren. 'Vroeger kostte dat steriliseren een dollar, toen deed een handige veehouder hier in de buurt het gewoon. Nu moet de veearts komen en die wil er 25 dollar voor hebben. Ja, er zit een paar jaar tussen, dat snap ik wel.'
Hij wil weten wat voor koeien er in Nederland worden gehouden. 'Oh ja, natuurlijk, Friese koeien. Goeie melkkoeien zijn dat. Ik heb 300 vleeskoeien van het ras Santa Gertrudis. Zit iets van een Brahmaan in. Goede koeien, goede klimmers ook. Dat moet hier wel, in dit heuvelachtige land. Niks voor Angus, die zijn lui. Kijken om zich heen of er gras staat en dat vreten ze dan op. Maar het gras op de hellingen blijft staan.'

Ik denk dat we nog dagen hadden kunnen praten. Als ik bijna moet gaan vraag ik wat er met de boerderij gebeurt als hij er ooit niet meer is. 'Dat zal de tijd leren. De vier dochters en twee zoons hebben er geen zin in. Had ťťn van de kleinkinderen er maar zin in. Ik heb wel eens medelijden met ze, daar in de grote stad met een kleine achtertuin. Kijk eens wat ze hier kunnen hebben. Ja, het is eenzaam en hard werken, dat wel. Ik heb mijn testament opgemaakt en alles eerlijk verdeeld. Daar maak ik me geen zorgen meer over. Maar als ik er aan denk hoe veel moeite het heeft gekost om dit alles op te bouwen, doet het toch wel eens pijn. Weet je, die Ier waar ik het over had, die met die vier honden, die is terug geweest naar het dorp waar zijn familie vandaan kwam. Er woont nog familie van hem. Op een boerderij die al duizend jaar in hun bezit is. Van vader op zoon, dat is mooi.' Als ik ga beloof ik hem dat, als hij 100 wordt en wij nog goed ter been, we op zijn verjaardag komen. 'Op 30 maart is dat. Maar ik heb liever dat je volgend jaar komt, als ik 92 word.'
Ik vraag tenslotte of Clifford wel eens vakantie gehad heeft. Hij kijkt me aan met een blik van; 'hoe kom je erbij' en vertelt: 'Op onze huwelijksreis zijn we naar Ballina geweest, naar het noorden tot Gympie, west naar Dalby. En ik heb ťťn overseas trip gemaakt, naar Bribie Island.'
Wie op de kaart van AustraliŽ kijkt waar de 'verre bestemmingen' van de grootgrondbezitter liggen ziet hoe klein zijn wereld is geweest.