6. Drie keer anders op andermans terrein

Soms ontmoet je mensen door heel andere oorzaken dan in deze serie verhalen wordt beschreven. Zoals op 29, 30 en 31 mei. De eerste dag stonden we in Mataranka, de andere twee in Katherine.
In Mataranka vinden we aan het eind van de middag een grasveld aan de rand van het dorp. Aan het begin van een doodlopend weggetje naar een Australische 'PTT toren' en grenzend aan een bosschage. Het is er mooi rustig, niemand komt ons storen. De volgende ochtend als we aan het ontbijt zitten komt er een man uit de bosschages. Leuke speelse hond bij zich, dus ik zit goed. How we are going, wil de man uiteraard weten, waar we vandaan komen en wanneer we weer weggaan. 'Ja, want weet je, jullie staan op mijn terrein. Nee, ik weet dat het bijna niet te zien is. Ik zag het vannacht al toen ik van mijn werk kwam maar toen wilde ik jullie niet storen. Nee, het is niet erg, maar ik weet wel graag wie er staat en hoe lang. Have a nice day verder. Mooie wagen trouwens.' Aardige mensen die AustraliŽrs.

Diezelfde dag, 's middags om vijf uur strijken we neer aan een het eind van een doodlopende weg even buiten Katherine. Een stukje voorbij de inrit naar een soort betonfabriek waar enkele honderdduizenden van de meer dan een miljoen betonnen dwarsliggers voor de nieuwe spoorlijn tussen Alice Springs en Darwin worden gemaakt.
Als rond zes uur de pannen op het fornuis staan, komt er een auto van het terrein af rijden, onze kant op. Er stapt een man uit. Nee hŤ, geen gezeur van 'wat doen jullie hier, de weg is ook van ons, wegwezen'.
Het pakt helemaal anders uit. De man waarschuwt dat de doodlopende weg nog wel eens door de plaatselijke jeugd wordt gebruikt voor sprintjes en pirouettes met auto's. 'En dan drinken ze er een biertje bij en worden ze baldadig. Je kunt beter bij ons op het terrein komen staan. Dat is rustiger'.
Ineens zijn we blij met de man die we enkele minuten nog zo argwanend bekeken. Maar met de pannen op het vuur kunnen we niet rijden, leggen we uit. 'Geeft niet, ik laat het hangslot open. Als jullie straks binnen zijn kun je het dichtdrukken. En morgen om negen uur komt er iemand om het hek weer open te doen. Zaterdag hŤ, dan zijn we nooit zo vroeg. Of willen jullie eerder weg, dan regel ik dat hij eerder komt'. Dat laatste is niet nodig. Als wij voor negen uur rijden, moeten we de boot naar TasmaniŽ halen. En dat hebben we al een keer gedaan. We staan die nacht heel rustig achter een grote berg zand. Op de weg blijft alles ook rustig. Zeker Australisch voetbal op tv. Met verlenging en strafschoppen. En dus te veel gedronken om nog te rijden. 's Morgens om negen uur gaat het slot weer van het hek. De man komt nog even horen of alles goed gegaan is. Zorgzame mensen die AustraliŽrs.

Na een dagje lummelen aan de Katherine River rijden we 's avonds te laat de stad uit, op weg naar de Katherine Gorge. Het duister overvalt ons en we kijken uit naar een plekje voor de nacht. In het licht van de koplampen zien we een overwoekerde parallelweg. Door de berm erheen. Het onkruid groeit door het al jaren verlaten asfalt, er ligt een oud verkeersbord, kortom het ziet er helemaal uit als een afgedankte weg. Wel mooi vlak, geen gedoe met hout onder de wielen, prima plek dus. Rondom bossen en struiken, in de verte schemert tussen de bladeren door een lichtje. Ziezo, we staan. Wie doet ons wat. We gaan eten.
Als we net zitten te eten, horen we een auto stoppen. Vlak naast ons. Er wordt getoeterd. Driftig getoeterd. Ik ga poolshoogte nemen. Er staat een oude pick-up truck naast ons. Met daarin de eerste opgewonden AustraliŽr die we in zeven maanden zien. Hoe we het in ons hoofd halen om op zijn terrein te gaan staan. Dat we dat niet konden zien is zijn zaak niet, het is zijn terrein. We hadden het op zijn minst kunnen vragen. Dat we niet wisten waar we het moesten vragen is zijn zaak niet, het is zijn terrein. Natuurlijk lijkt het net een verlaten afgedankte weg, dat is het ook. Maar nu is het zijn terrein. En wij zijn onfatsoenlijk omdat we geen toestemming hebben gevraagd. Dat zou wel zo fatsoenlijk zijn geweest. Kijk, zie je af en toe dat lichtje tussen de bomen door, daar woon ik.
De man komt niet tot bedaren. Totdat ik hem nogmaals zeg dat het ons oprecht spijt en dat we na het eten wel vertrekken. Fout, helemaal fout. Dat hoeft nou ook weer niet. Waar denken we heen te gaan in het donker. Dan moet je niet meer op de weg zijn. Kangoeroes, weet je. Maar het zou netjes zijn geweest als we van tevoren toestemming hadden gevraagd. Zo hoort het. We geven hem het grootste gelijk van de wereld.. En hebben weer een rustige nacht. Gekke mensen, sommige AustraliŽrs.