Registratieperikelen

Bij de registratie van onze Dutch Jumbo beleefden we een paar avonturen die het vermelden waard zijn en waar we achteraf om kunnen lachen. Toen ze ons overkwamen vonden we er niets aan.
Het begon bij de Swagmanfabriek. We stonden nog niet koud geparkeerd of de hoogste baas, chief executive officer John Wightman kwam ons hartelijk begroeten. Daarop volgden de salesmanager, de aftersalesmanager, de manager customer service, de receptioniste, de guest hostess en wat dies meer zij. Ook de chief technical engineer verscheen ten tonele om de puntjes die we en passant zouden laten verhelpen, op te nemen.
Het was de grote baas zelf die zich tot de schare volgelingen richtte en zei: ,,Hey guys (want dames in gezelschap zijn ook guys), deze mensen willen in Queensland registreren. We kunnen ze daarbij zeker wel even helpen? Het is zo'n vraag waarop, als de juiste man hem stelt, het antwoord altijd bevestigend luidt.

Dus nam de juiste man voor de job ons onder zijn hoede. Hij verzamelde een hele stapel papieren over zowel het chassis als de opbouw. Keuringsrapporten voor gas, elektra en waterleiding, maten en gewichten, onze geboortedata en dooppersonalia.
We zetten een handtekening hier, een handtekening daar en na een klein uur en enkele koppen koffie leek het eind in zicht. Vlak voordat hij elders in het pand nog wat ging kopiŽren vroeg hij langs zijn neus weg: ,,Heeft iemand jullie verteld dat aan onze hulp een kleine bijdrage, een service charge, is verbonden? Ik keek hem vragend aan (Ageeth was even naar de wc vanwege de koffie) en hij antwoordde: '350 dollar'. Hij zei het zonder een spier te vertrekken in zijn redelijk onplooibare gezicht en stond op om wat te gaan kopiŽren.
Toen Ageeth terugkwam ontplofte ze bijna. Ik reageer meestal iets minder fel, maar realiseerde me maar al te goed dat het bedrijf waarin we net een kapitaal hadden geÔnvesteerd 450 toenmalige guldens (de euro was nog een paar maanden weg) vroeg voor iets waarvan wij veronderstelden dat het service van de zaak was. Kort en goed, we pikten het niet. Zochten het hogerop maar ook dat hielp niet. 'Sorry, maar we kunnen het niet voor minder doen'.
En omdat we een adres hadden meegekregen van Australian Motorhomes van iemand in de buurt van Brisbane die het voor een dollar of 75 zou willen regelen, vertrokken we eerst maar eens. Nee, de stapel papieren voor het registratiekantoor kregen we niet mee, we moesten het maar mooi uitzoeken.

We besloten eerst in de buurt van Brisbane een Nederlander op te zoeken waar we via het internet al geruime tijd contact mee hadden. Leuke man waar we over AustraliŽ en campers, omgebouwde touringcars en motorhomes veel van hadden opgestoken. Verder hadden we wat post naar hem laten sturen zodat we die gelijk konden oppikken. We kochten een wijntje en gingen op zoek. De ontvangst was allerhartelijkst, Dutch Jumbo werd uitgebreid bekeken, bewonderd en geprezen net als hun pasgeboren tweede kind en de volgende dag 's avonds gingen we een hapje eten. Zondagavond namen we afscheid, niet nadat hij ons had gezegd toch vooral gewoon naar het registratiekantoor te rijden. ,,Ze helpen je daar wel. Het stelt allemaal niet zo veel voor. Succes en een hele goede reis verder.''

En inderdaad, bij Queensland Transport nam ene Michael ons onder zijn hoede, ging mee naar buiten, bekeek alles, nam de maten, vertrouwde de gewichten die Swagman in de documentatie vermeld had, zag dat de installatie in orde was en na dik een uur mochten we de registratie betalen, de nummerborden 329 GHV in ontvangst nemen en vertrekken. De sticker voor de voorruit zou worden opgestuurd. En de servicecharge bedroeg nul dollars en nul cents. Makkelijker kun je geen 350 dollar verdienen. Tot zo ver de registratie, dachten we. Bijna tot zo ver. Want het muisje kreeg nog een staartje.


© Willem de Niet


Ergens op de registratie moest een Queensland 'residential address' worden ingevuld. Dat hadden we niet, maar we vulden vrolijk het adres in van onze Nederlandse vriend (want dat was hij op dat moment nog) in. Daarnaast konden we ook een postadres kwijt en daar zou de rest van de eventuele post van Queensland Transport heen gaan. In de praktijk betekent dat ťťn keer per jaar een melding dat de registratie verloopt en verlengd moet worden.
We meldden 's avonds fatsoenshalve onze Nederlandse vriend even dat we het zo hadden opgelost en of hij nog ťťn keer de moeite wilde nemen om de sticker op te sturen.
Wat er met hem gebeurd was tussen dat we op zondag afscheid namen en de maandagavond dat we hem belden zullen we nooit aan de weet komen. Maar het was ineens allemaal fout en verkeerd. Hoe we het hadden gedurfd om zijn adres te gebruiken. Wat we deden, registreren in een andere staat was illegaal, hij wenste niet misbruikt te worden, afijn, we zouden er wel van horen. Verbijsterd waren we. Ons van geen kwaad bewust want wat we deden was helemaal niet illegaal. Wel als we Australische staatsburgers waren geweest. Dan moet je een voertuig laten registreren in de staat waar je woont. Hij was het spoor volkomen bijster. En we dachten nog: hij draait wel bij.

Na twee weken bleek dat hij helemaal niet bijgedraaid was. Hij meldde dat hij de sticker had. En als wij die wilden hebben, of we dan maar even duizend dollar wilden overmaken. Als vergoeding voor het gebruik van zijn adres. Jawel, duizend dollar, toen 1300 gulden, nu 590 euro. Toen ik het Ageeth vertelde, met de hand over de telefoonhoorn was de zaak waar we zaten te bellen bijna te klein. 'Maar dat is chantage. Klaag hem aan, zeg hem dat hijÖÖ' Nee, dat herhalen we maar niet.
Ik probeerde het nog eens redelijk maar er was geen praten tegen. Duizend dollar en anders stuurde hij de sticker terug naar de afzender met een briefje erbij wat voor belastingontduikers en fraudeurs wij wel waren. Dat moest hij dan maar doen, zei ik, toen bleek dat verder praten geen zin had.

Na enig overleg met Ron Warden van Australian Motorhomes belde ik op diens advies onze vriend Michael van Queensland Transport op. Die had, zeker met een voorgevoel, zijn nummer op een briefje gekrabbeld. 'Voor als er nog eens wat was en we hulp nodig hadden'. Nou, er was wat en we hadden dringend hulp nodig.
Michael bleek de reddende (aarts)engel. 'Wat zeg je, wat vraagt'ie? Duizend dollar? Die is gek. No worries mate, zeg maar waar de sticker heen moet, dan doe ik er vandaag nog een op de post. Enne, goede reis verder.' Dat was alles. Ik kon hem wel omhelzen, Ageeth kon hem wel zoenen maar hij was een kleine duizend kilometer bij ons vandaan.

Anderhalve week later was de nieuwe sticker bij de post. En twee maanden later een ansichtkaart van onze Nederlandse ex-vriend. Dat hij de sticker naar Queensland Transport had teruggestuurd. Met een brief erbij wat we hadden uitgevreten. Dat we er nog wel wat van zouden horen. Van hem hebben we niets meer gehoord en van Queensland Transport kregen we een klein jaar later bericht dat de registratie verlengd moest worden.
Ze hadden kennelijk geen opsporingsbevel uitgevaardigd.




Desondanks schroefden we in oktober 2002 in Carnarvon West-Australische nummerborden op DJ. Omdat we hadden gehoord dat dat goedkoper was en omdat er anders allerhande papieren en een keuringsrapport tussen Queensland en Carnarvon heen en weer gestuurd moesten worden. En onze post gaat altijd via een tussenstation dus dat werd allemaal erg gecompliceerd. Maar zoals gezegd speelde ook de prijs een rol. In Queenland zouden we 700 dollar en wat wisselgeld kwijt zijn, in West-AustraliŽ betaalden we voor hetzelfde, en mooie blauw-witte nummerborden, 440 dollar en een paar dubbeltjes. Goed voor een jaar wegenbelasting en een wa-verzekering die in AustraliŽ verplicht samen met de wegenbelasting moet worden afgesloten. Tot oktober 2003 waren we zodoende weer onder de pannen.